Press "Enter" to skip to content

Archief Golfers Magazine 2018

Archief Golfers Magazine 2018

Hier de stukken die ik in 2019 voor Golfers Magazine schreef. Klik op een nummer in de tabel als je een bepaalde column direct wilt lezen.


column golfers magazine 01 – 2018
Nederlandse Recreatiegolf Federatie

Ontwaakt uit mijn winterslaap, besloot ik voor alle zekerheid te checken hoeveel golfers en golfsters ons land op de hoogste niveaus vertegenwoordigen. Had ik mezelf al dromend misschien iets op de mouw gespeld? Niet dus. Wilt u nu even de andere kant opkijken, svp? Ik voel namelijk de onbedwingbare behoefte om mijn onvrede ditmaal iets minder beschaafd te verwoorden: het is ruk. Joost Luiten en Anne van Dam zijn de enige Nederlanders in de hoogste Europese divisies.

O, zeker: Joost en Anne zijn begenadigde golfers.

Als Joost Luiten zegt dat deelname aan de Ryder Cup een van zijn doelen is, dan is het onterecht daarbij meewarig het hoofd te schudden. Ondanks dat 2017 een van zijn mindere jaren was en 2018 voor hem niet optimaal van start ging, is het een reëel streven.

Over Anne van Dam kan de loftrompet niet vaak genoeg gestoken worden. Zij is pas 22 jaar, slaagde er in Dubai net niet in om het eindtoernooi van de Ladies European Tour op haar naam te schrijven en eindigde als vijfde in het eindklassement. Haar swing doet kenners als Ken Brown watertanden en ze slaat monsterdrives.

Maar de rest?

Klopt, we hebben acht spelers op de Challenge Tour. Toch mag de NGF het zich aanrekenen dat onze topgolfers in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Belgen de laatste stap vrijwel allemaal niet kunnen maken. Slechts 80.000 golfers, onze zuiderburen. Maar wel drie deelnemers aan de European Tour, van wie er twee al Ryder Cup-waardig bleken. En hoeveel hebben de Zweden er wel niet?

Er ligt een complex van factoren aan ten grondslag, zou Rinus Michels hebben gezegd.

De NGF heeft een bondscoach cq technisch directeur, Maarten Lafeber, die zijn eigen golfcarrière voorrang mag geven. Met Jerry Ji (winnaar van de laatste Orange Bowl) en Dewi Weber (nr. 15 op de amateurwereldranglijst) begeleidt hij weliswaar veelbelovende talenten, maar sorry hoor: als je voor bondscoaching van dergelijke beloften kiest moet je toch een geobsedeerde fanaticus hebben die daar 24 uur per dag tijd voor vrijmaakt?

Laatst omschreef ik de NGF als NRF: Nederlandse Recreatiegolf Federatie. Dat was een grap natuurlijk, maar wel eentje met een kern van waarheid.

Het topgolfbeleid is aan een hard reset toe.

Tot die tijd geniet ik maar van mijn zomerslaap.


column golfers magazine 02 – 2018
Een veertig jaar oude sandwedge

Als het golfseizoen weer van start is gegaan, denk ik altijd aan Seamus, die jammer genoeg hemelen is. Ik citeer de website van Hanora’s Cottage, het fameuze guesthouse/restaurant in de Nire Valley in Ballymacarbry, co. Waterford, Ierland, nabij dat riviertje, waar hij samen met zijn vrouw Mary de scepter zwaaide: “Helaas is Seamus niet langer onder ons, maar de herinneringen aan hem en onze liefde voor hem zullen voor altijd deel uitmaken van Hanora’s Cottage, net als de beroemde broodrecepten die hij ons heeft nagelaten. Hanora’s Cottage, uw kleine oase in het Comeragh-gebergte, is nu in de zeer capabele handen van Mary, Judith en Eoin.”

Gelukkig is Mary er dus nog wel.

Ik logeerde meerdere malen bij Seamus en Mary en speelde dan samen met hem – een enkele keer ook met haar – een rondje golf op de nabijgelegen parklandbaan van Clonmel. Telkens deed hij mij versteld staan. Seamus Wall, zoals hij voluit heette, was destijds – jaren negentig vorige eeuw – al dik in de zestig, maar speelde nog steeds vanaf handicap 3. Hij was opgegroeid als boerenzoon naast de Clonmel-course en had het spel zichzelf aangeleerd. Er was thuis geen geld voor een fatsoenlijke set. Hij leerde swingen met boomtakken die hij tot clubs had gesneden. En nadat hij eindelijk zijn eerste set had verworven, deed hij één club nooit meer weg: zijn sandwedge van een onbestemd merk.

De groeven in het clubhoofd waren nagenoeg versleten, maar hij kon de stok domweg niet uit zijn tas halen. “Geen club die zo lekker aanvoelt”, zei hij, terwijl wij over de baan liepen. En hupsakee, daar legde hij met die antieke wedge van minstens veertig jaar oud weer een bal op een meter van de pin.

Wat een man, Seamus.

Waarom ik uitgerekend in deze periode van het jaar altijd aan hem denk? Omdat we nu, aan het begin van het golfseizoen, traditiegetrouw worden doodgegooid met reviews van de nieuwe clubs die door de verschillende fabrikanten op de markt zijn gebracht. Of het nu om een draw bevorderende Wham SP57-driver met een extreem grote sweetspot gaat, om een McGroupy D3-rescue met een opvallend hoge balvlucht, of om een set Wild Leopard F1-ijzers met een hoge center of gravity (het kan zijn dat ik mij vergis in de namen), steeds weer komt bij lezing van die reviews Seamus in mijn gedachten: hij was bij uitstek de golfer die bewees dat je niet iedere keer hoeft toe te geven aan de verleidingen die nieuwe golfclubs bieden.

Pardon?

Of ik er ook iets van leer?

Kijk, dát is nou weer iets te veel gevraagd.


column golfers magazine 03 – 2018
Sergio en ik hebben heel veel gemeen

U mag het best weten: ik wilde stoppen met golfen. Ik zag Dustin Johnson 350 meter met zijn driver slaan en Tony Finau 190 meter met zijn ijzeren 7. Ik las over een ronde van 59 van Sam Saunders, de kleinzoon van Arnold Palmer, en over approaches van Bubba Watson die met een bocht van 60 graden, om een stel bomen heen, op een meter van de pin landden. Ik was er via Ziggo Golf getuige van hoe Jordan Spieth de ene na de andere onmaakbare putt uitholede en hoe Jon Rahm zijn wedge-slagen tot in perfectie uitvoerde.

En ik mompelde tegen mezelf: “Wat heb jij op een golfbaan te zoeken, krabbelaar? Ga op dammen!”

Maar toen, op die gedenkwaardige 5de april van het jaar des Heeren 2018, op dag 1 van de Masters in Augusta, de eerste major van het jaar die uiteindelijk door Patrick Reed zou worden gewonnen, toen werd het mij gegund te aanschouwen wat titelverdediger Sergio Garcia ervan bakte op de vijftiende hole: vijf Callaway-ballen in het water, score 13. En dat lag niet aan die Callaway-ballen. Bovendien mocht ik Sergio’s commentaar aanhoren, na afloop: “Het is de eerste keer in mijn carrière dat ik een 13 maak zonder een slag te missen.”

Die smoes kwam mij zo bekend voor.

“Maak mijn golfstokken toch maar weer schoon, Liza!” riep ik tegen mijn Ivoriaanse dienstmeisje beneden in het basement. “De boss gaat het weer proberen.”

Daar ging ik, in mijn Aston Martin, richting de club.

Geloof me: niet een par-5 in 13 slagen!

Ik kon dus wel degelijk golfen.

Niet dat ik die momenten zelf niet gekend heb. Ik ben ook maar een mens, vraag het maar aan Liza. Nooit zal ik de dag vergeten, ergens in de jaren negentig van de vorige eeuw, dat ik aan de Herenmiddag van de Noordhollandse golfclub deelnam en ik mezelf de opdracht gaf mijn tweede slag op de achttiende over de bomen en de vijver heen richting green te dirigeren. Het aanpalende terras zat vol met heren die hun ronde reeds hadden voltooid. Dit was het moment om voor eeuwig roem te vergaren.

Welnu, die green haalde ik, zij het niet met mijn tweede slag, maar met mijn 22ste, na elf ballen in het water, waaronder overigens ook enkele Callaways, maar dat was toeval.

Nooit had ik voordien beseft dat een vol terras zo kon bulderen.

“Het is de eerste keer in mijn carrière dat ik een 24 maak zonder een slag te missen”, zei ik twee putts later.

Wij hebben dus veel gemeen, Sergio en ik.

De damvereniging kan nog lang op mij wachten.


column golfers magazine 04 – 2018
Wij zijn ruimdenkend, mevrouw. Wij wel

Altijd van plan geweest geen politiek in deze golfrubriek toe te laten. Elders schrijf ik al genoeg over de woorden en daden van de dames en heren, etcetera, die het leven in politieke zin voor ons uitstippelen. Ik wilde het in dit hoekje uitsluitend over de golfwereld hebben. Basta. Nu, echter, maak ik toch een uitzondering. Dat is te danken aan Andrée van Es, voormalig kopstuk van de PSP en GroenLinks. Zij heeft inmiddels de oorspronkelijke leeftijd der Dreestrekkers bereikt en gaf zeven jaar terug al blijk van een veranderende levenshouding.

O, zeker, als wethouder van Amsterdam liet zij toen ook dit pareltje aan haar fraaie lippen ontsnappen: “Ik fiets wel eens door rood.” Nogmaals: dat zei zij als wethouder. En dan vinden sommigen het nog vreemd dat de Amsterdamse fietsers zijn uitgegroeid tot het schuim der natie.

Maar Van Es zei destijds ook dit: “Ik neem het mijzelf kwalijk dat ik zo ideologisch deed over werk en arbeidsethos. Jongeren werden door dit soort opvattingen veel te gemakkelijk aan een uitkering geholpen. Bizar.”

Zet die oogkleppen nu maar helemáál af, schoonheid, dacht ik, wie weet hebben ze bij de partij van je ouders – de VVD – nog plek voor je. En verdomd, toen ik op 18 april jongstleden de Volkskrant opensloeg leek het werkelijk alsof het wonder zich in de tussentijd had voltrokken: Andrée van Es blijkt tegenwoordig de golfsport te beoefenen.

Het duurde niet lang hoor, dat ik dat vermoedde. Want vervolgens werd het mij in dat Volkskrant-interview gegund deze uitspraak tot mij te nemen: “Ik durf het bijna niet te zeggen, maar tegenwoordig ga ik graag golfen.” En toen haar gevraagd werd waaróm zij dat bijna niet durfde te zeggen, zei Andrée: “Nou ja, golfen en links, dat is wel ’n ding, daar moet je mee uitkijken.”

Getverderrie.

Mijn eerste reactie: wat moeten wij golfers met zo’n eng mens in ons midden? Dit is zo typerend voor haar kringen. Stel je voor dat je iets doet wat in jouw omgeving als not done wordt beschouwd. Dat je iets doet wat ze domrechts vinden, of reactionair. Dat kan natuurlijk niet in de nieuwe elite.

Vergevingsgezind als ik ben, dacht ik daarna (als ik eerlijk ben ook omdat ik mij plots realiseerde dat ik in de toekomst best wel eens tijdens een of ander charitytoernooi aan haar zou kunnen worden gekoppeld): ach, wat maakt het ook uit, welkom in de golfwereld mevrouw Van Es, neem een voorbeeld aan uw partijgenoot Bas de Gaay Fortman, geniet maar lekker van het golfspel, wij zijn ruimdenkend.

Wij wel.


column golfers magazine 05 – 2018
The Lord was met mij die dag

Op heel wat plekken op deze aardkloot kon ik geen weerstand bieden aan de verleiding om de golfsport te beoefenen. The White Witch in Montego Bay! Oubaai in George! Emmeloord in Emmeloord! Ja ja, jongens en meisjes, opa is een bereisd man, maar kampt inmiddels wel met een geheugenstoornis: hij weet niet meer hoe de heuvelachtige 9 holes-course heet, in de Catskill Mountains in de betoverend mooie staat New York, waar hij ternauwernood aan de klauwen van een meedogenloos roofdier ontsnapte.

We hadden vrienden in Toronto bezocht. Op de terugweg naar New York City reden we, via Niagara Falls en Buffalo, de staat New York in. Uiteindelijk vonden we daar, in het voormalige indianenland diep in de bossen van de Catskill Mountains, een soort Twin Peaks-hotel, waar tot onze verrassing ‘s avonds een dansfeest voor de gasten zou worden georganiseerd.

Er volgde snel een tweede verrassing: het was een diep christelijk, alcoholvrij hotel, waardoor wij ons die avond gedwongen zagen heupflesjes Jack Daniels de danszaal in te smokkelen. Stiekem onze glazen jus d’orange ermee aanlengen: wij bleken er zeer bedreven in. Zo werd het toch nog een vrolijke boel, zeker ook omdat het ons intussen gegund werd te aanschouwen hoe de diep christelijke uitbater van het hotel zijn serveerster steeds al even stiekem in haar achterwerk kneep.

Voor mij werd het helemáál vrolijk toen diezelfde serveerster mij vertelde dat de trompettist van het orkest ook de caddymaster van de bij het hotel behorende 9-holes golfcourse was.

“Kan ik morgenochtend om 9 uur spelen?” vroeg ik hem tijdens een pauze.

“Of course, my friend. Ik zal er dan nog niet zijn, maar zet vannacht nog een tas met clubs voor je klaar. Dan zie ik je wel als je terugkeert.”

“Te gek! Dank je!”

“May the Lord be with you.”

Ik was helemaal in mijn eentje, die ochtend, speelde niet eens zo slecht, maar slicede mijn bal op hole 6 wel in het struikgewas. En wat vond ik daar? Meer dan wintig ballen. Te midden van een enorme hoeveelheid uitwerpselen weliswaar, maar wat maakte het uit. Gewoon even wassen, toch?

Bij terugkeer vertelde ik het lachend aan de inmiddels gearriveerde caddymaster.

“Hebben jullie hier ballen over of zo?” jende ik ‘m.

“Shit, dat was ik vergeten je te vertellen”, antwoordde hij. “Dat stukje bos daar mag niet door golfers worden betreden omdat er een zwarte beer rondscharrelt.”

Hoewel anders dan hij de avond tevoren bedoelde, was The Lord die ochtend dus inderdaad met mij.

Maar ja, toen was-ie nog gewoon trompettist.


column golfers magazine 06 – 2018
Toch maar even Tessel Air bellen

Kijk, dat golfen van mij stelt niks voor: verkeerde grip, halve swing, nauwelijks een schouderdraai, geen follow-through, slice die slechts door de bananenexperts van de EU wordt gewaardeerd. En intussen gaat mijn hoofd, behorende bij een giraffenlijf dat veel te veel op rechts blijft hangen, tijdens die swing op en neer als dat van zo’n vlechtjesbidder met een zwarte hoed bij de Klaagmuur.

Met andere woorden: als oom Rob temidden van zijn golfvrienden, die op de hoogte zijn van zijn techniek, herinneringen ophaalt aan zijn golfavonturen waar ook op deze planeet, dan beseft hij terdege dat hij er verstandig aan doet zich te beperken tot de externe factoren die de desbetreffende trips in zijn geval wél de moeite waard maakten.

Dat exquise diner in het Ritz Carlton op Jamaica, naast de White Witch-course. De oogverblindende schoonheid van die caddy op de Royal Hua Hin in Thailand, die zo lief tegen mij deed, al wilde ze wel héél graag ook weten hoe rijk ik was. Het vervoer per helikopter van de linkscourse van Doonbeg, toen net geopend maar inmiddels in bezit van The Donald, naar Dromoland Castle in co. Clare, Ierland, waar tientallen Amerikaanse geheime agenten met oordopjes rondliepen omdat een paar weken later de toenmalige president George W. Bush er zou komen logeren.

Hè, hè, ben ik eindelijk waar ik wezen wil: vervoer per helikopter.

Er zijn rijke Amerikanen die zogenaamd op zoek naar hun roots de golfbanen van Ierland en Schotland per helikopter bezoeken. Spelen ze ‘s ochtends Ballybunion in het zuid-westen van Ierland, ‘s middags Royal Portrush in Noord-Ierland en laten ze zich ‘s avonds alvast vervoeren naar een vijfsterrenresort nabij Carnoustie in Schotland. Er zijn Ierse en Schotse luchtvaartmaatschappijtjes die uitsluitend daarmee hun brood verdienen.

Maar hoort zoiets ook in Nederland thuis?

Sommige mensen beantwoorden die vraag met ja.

Ik sprak Anita Hiemstra, manager van de Texelse, die schitterende baan waarvan de tweede negen tot de beste linksholes van Nederland behoren. Trots vertelde Anita dat het aantal greenfeespelers op haar course dit jaar explosief is gestegen en giechelend voegde zij daaraan toe, de foto’s tonend, dat zij tegenwoordig zelfs groepjes golfers ontvangt die zich per helikopter vanaf het vasteland naar het vliegveld van Texel laten vervoeren, op een steenworp afstand van de Texelse.

Er zit dus maar één ding op voor mij: Tessel Air vragen welk arrangement mogelijk is.

Zo ver woon ik nu ook weer niet van dat eiland.

Ja, luister eens, ik moet mijn vrienden toch íets te vertellen hebben.


column golfers magazine 07 – 2018
Eenzaam aan de top voor Joost

Heeft Joost Luiten iets aan z’n pols, dan heeft het hele mannelijke Nederlandse topgolf iets aan z’n pols. Hoe lang zal Joost zijn uitgeschakeld, na operatie numero 2 aan dat onwillige gewricht? Een half jaar op z’n minst. Daarmee zal het hele mannelijke Nederlandse topgolf een half jaar zijn uitgeschakeld.

Joost Luiten IS het hele mannelijke Nederlandse topgolf. Als de enige Nederlandse vertegenwoordiger in de hoogste divisie van de European Tour bekleedt hij een eenzame positie. Over de redenen heb ik op deze plek, mijn eigen grote technische tekortkomingen voor alle zekerheid benadrukkend omdat ik maar al te goed besefte dat bondscoach Maarten Lafeber geen hoge dunk heeft van het golfende journaille, een paar keer een boompje opgezet. Het topsportbeleid van de NGF, in mijn ogen te amateuristisch, kwam er niet echt genadig vanaf. Achter Joost gaapt een te groot gat. Alleen Daan Huizing mag af en toe even op het hoogste niveau meedoen, maar dat is het dan ook wel qua Nederlandse inbreng.

Ja hoor, er zijn ook andere oorzaken. Desinteresse onder de jeugd, ik noem maar iets.

En ja hoor, we hebben desondanks grote talenten in huis. Jerry Ji won de Orange Bowl, heel knap.

Maar stel, Alex Noren krijgt iets aan z’n pols. Een compleet peloton andere Zweden is dan in staat zijn positie over te nemen. En stel, Andy Sullivan krijgt iets aan z’n pols. Voor hem tientallen ander Engelsen.

Behorende tot de polderlandse golfliefhebbers die vaak urenlang voor de buis hangen – zouden hun wederhelften trouwens óók zulk cynisch commentaar leveren? – wanneer Ziggo toernooien van de European Tour en de USPGA live uitzendt, mis ik Joost Luiten al tijdje. Veel minder vaak dan voorheen check ik ook, van donderdag tot en met zondag, de European Tour-app om te controleren hoe de zaken ervoor staan. Zijn deelname betekent voor mij iets extra’s, niet alleen omdat hij regelmatig voor de hoofdprijzen meedoet, maar vooral omdat hij een Nederlander is. Ik miste hem om die redenen tevens tijdens de Britse Open op Carnoustie, niet zijn favoriete type golfbaan, maar het tekent zijn klasse dat hij zelfs op dergelijke linkscourses af en toe flink uit zijn slof schiet.

Dat het nog minstens een zes maanden gaat duren voordat ik Joost Luiten weer in actie zal kunnen zien – voor 2018 is het dus afgelopen – is een gruwel, in de eerste plaats voor hemzelf uiteraard, maar ook voor mij.

Ik wens Joost een zo spoedig mogelijk herstel toe.

En met hem het hele mannelijke Nederlandse topgolf.


column golfers magazine 08 – 2018
Tiger is gelukkig weer helemaal zichzelf

De leukste dag van de Ryder Cup? De woensdag, uiteraard. Ik besef dat dit enige uitleg behoeft. Het toernooi der toernooien, ditmaal een spektakel zonder weerga, vond immers, zoals altijd, op vrijdag, zaterdag en zondag plaats. Maar ja, die woensdag, hè. De woensdag die eraan vooraf ging. De twee teams hadden zich ter voorbereiding reeds op Le Golf National verzameld en de heer Eldrick Tont Woods, beter bekend als Tiger, was op de puttinggreen te vinden.

Vooropgesteld: Tiger Woods is voor mij een van de grootste sportlieden ooit. Als je bedenkt hoe diep het dal was waaruit hij omhoog moest klauteren, hoe hij bijvoorbeeld als een junk stond te raaskallen na zijn nachtelijke aanhouding in juni vorig jaar in Jupiter, Florida, hoe hij voorafgaand aan zijn vierde rugoperatie (!) soms nog als een gvb’er stond te golfen, dan realiseer je je nóg beter dat wat Tiger een week vóór de Ryder Cup bij het Tour Championship in Atlanta liet zien, de bekroning van een van de meest indrukwekkende comebacks uit de sportgeschiedenis was.

From hero to zero to hero: dat is Tiger.

Al moesten we daar na Parijs toch weer even from hero to zero to hero to zero van maken.

Zero points uit vijf partijen: grote goedheid.

Goed, dan keren wij nu terug naar woensdag 26 september 2018, toen Tiger Woods zijn oefensessie op de puttinggreen van Le Golf National in Parijs moest onderbreken voor een plichtpleging: een ontmoeting met de leden van de Amerikaanse en Europese Junior Ryder Cup-teams.

De teams bestonden uit jongens en meisjes, en onder die meisjes bevonden zich vier blondines, jonge vrouwen dus met de haarkleur waar Tiger, gezien ook zijn verleden met dames die zijn uitbundige seksuele levensstijl van destijds aan het licht brachten, een grote voorkeur voor heeft.

En wat deed Tiger tijdens het schudden der handen?

Hij hield de handen van die blondines veel langer vast.

Ik zag de Tiger van vroeger. Hij had zijn oude instincten weer terug. Blijkbaar had hij besloten er andermaal alle ruimte aan te geven, omdat die instincten nu eenmaal deel uitmaken van zijn persoonlijkheid. En laten we wel wezen: wanneer een sporter optimaal wil presteren, moet hij ook zichzelf kunnen zijn.

Tip voor de volgende Amerikaanse Ryder Cup-captain: omring Tiger Woods in 2020, op Whistling Straits, niet met elf saaie mannelijke topgolfers, maar met elf klonen van Lindsey Vonn.

Vijf uit vijf, let maar op.

Waarmee ik uiteráárd zijn score op de baan bedoel.


column golfers magazine 09 – 2018
Wat toen een bogey was, is nu een birdie

Ze worden bedankt, de stoffige heren van de Royal & Ancient Golf Club of St. Andrews. Waarom toch zo lang gewacht met de aanpassingen van de golfregels? Als ze die veranderingen niet pas per 1 januari 2019 geldig zouden hebben verklaard, maar een jaartje eerder hadden laten ingaan, zou ik dit jaar de President’s Putter van het Happy Hookers Genootschap hebben gewonnen, een roemruchte verzameling uitsluitend mannelijke, opvallend dorstige exemplaren van de homo neanderthalensis neerlandicus, die zich allemaal met een zekere wanhoop op het golfspel stortten toen de oerdrift hun bestaan wat fletser begon in te kleuren.

U kent ‘m toch wel, die vermaarde dialoog?

“Golf jij?”

“Nee, ik doe nog aan seks.”

En dan iets ordinairder.

Lees & huiver. Het Happy Hookers Genootschap laat zijn wedstrijd om de President’s Putter dit jaar op de Scherpenbergh plaatsvinden, een sympathieke golfbaan onder management van de sympathieke Joost Poppe in het sympathieke Gelderse buurtschap Lieren. Ik blijk die dag om onverklaarbare redenen in vorm en heb na 17 holes reeds 34 Stableford-punten in de pocket als ik na de volgende drie slagen de green van de laatste hole opstrompel, een par-5. De bal ligt op die grote green zeker 25 meter van de vlag, ik verwacht niet de volgende slag te zullen uitholen, argeloosheid maakt zich van mij meester. Ik laat de vlag in de hole en produceer een van de beste putts van mijn leven: de bal valt na een lange, zwierige tocht pardoes in het gaatje, maar doet dat wel via de vlag.

Birdie?

Wel vanaf 1 januari 2019, maar nu nog niet: twee strafslagen wegens het niet laten bewaken van de vlag, bogey dus, geen 38 punten maar 36 punten, naar later blijkt eentje minder dan winnaar Diederik, een duikboot hors catégorie, doch dit terzijde.

Dag President’s Putter!

Ik heb ze nog nasnikkend bestudeerd, die nieuwe regels, waarmee vooral de snelheid van het spel moet worden bevorderd. Vanaf kniehoogte droppen, een local rule die stelt dat de bal in het geval van out of bounds met twee strafslagen op de fairway kan worden gedropt in de nabijheid van de plek waar hij de baan verliet, het niet opzettelijk bewegen van de bal, vlag inderdaad in de hole bij putten: dat en nog veel meer mag straks allemaal, terwijl er ook nog slechts drie minuten naar een zoekgeraakte bal kan worden gezocht.

Wat ik mis is het toestaan van de mulligan, niet alleen op de eerste hole, zoals puriteinen willen, maar op alle achttien.

En dat terwijl die regel her en der allang door de beoefenaars van de edele golfsport wordt toegepast.


column golfers magazine 10 – 2018
Geef die bal gewoon een oplawaai

Steeds vaker, steeds vroeger in de ronde ook omdat het steeds sneller duidelijk wordt dat het tussen mij en de golfsport nooit meer goed zal komen, vragen mijn medespelers mij waar het is misgegaan. Dan heb ik hazennaaier numero zoveel geproduceerd, of een drive van 45 meter, dan wel een flopshot dat de bal in de bunker vijf meter verderop deed huppelen terwijl aan het clubhoofd van mijn lobwedge anderhalve kilo vette klei bleef hangen omdat ik zo nodig Phil Mickelson wilde nadoen. En dan zeggen ze, met bijbehorende grijns: “Dit moet toch uit te leggen zijn, Goof?”

Aanvankelijk antwoordde ik dat het de leeftijd was, of het feit dat ik vanwege mijn slechte knieën niet meer goed in staat was om tijdens de swing de benodigde gewichtsverplaatsing te bewerkstelligen. Soms durfde ik zelfs mijn huwelijk als oorzaak aan te wijzen, dat ik dan als een ‘energievretende verbintenis’ omschreef, waarna de meeste flightgenoten opvallend genoeg instemmend knikten.

Tegenwoordig, echter, zeg ik ongezouten de waarheid.

“Het zijn al die tips, vrienden”, roep ik. “Al die swingadviezen en technische aanwijzingen in golfbladen en op websites. Al die aanbevelingen over de stand van je voeten en je kin en de knokkels van je rechterhand. Al die suggesties over het moment waarop je je polsen moet knikken en je upswing moet omzetten in een downswing. Al die adviezen aangaande de pre-shot routine, de heupdraai en de release. Nou ja, noem maar op. Pagina’s kladden ze er vol mee, geïllustreerd met foto’s van toppers als Rory McIlroy, Brooks Koepka en Justin Rose, die op het op die kieken keurig voordoen.”

Ik wend mij weer tot u, lezer, en verklaar hierbij officieel dat ik er knettergek van werd. Dan stond er bijvoorbeeld: ‘Leer van Dustin Johnson om vijftien meter verder te slaan’. Nou, die slaat ‘m 330 meter ver, dus dat wilde ik ook wel. Maar ik ben geen Dustin Johnson. Ik ben een bejaarde, ongetrainde, talentloze boerenlul met stramme spieren en structureel overgewicht. Bovendien heb ik geen swingspeed van 120 mijl, zoals hij, maar is die van mij inmiddels teruggelopen naar 85 mijl. En dus bleef er van mijn swing, nadat ik zijn adviezen had proberen op te volgen, nóg minder over, net als uiteraard na al die andere aanbevelingen.

Waarom interviewen ze míj nooit voor zo’n instructierubriek?

Een half paginaatje met een leuke foto en een eenregelige tekst is genoeg.

Hierbij alvast die tekst: “Geef die bal gewoon een oplawaai.”

Zelf heb ik er niet veel meer aan, maar ik weet zeker dat het werkt.


Old Head: per slag best wel goedkoop

Hoog in de lucht wendt de man op stoel 1A van vlucht EI841 van Amsterdam naar Cork zich tot de geluksvogel en diens vrouw op de stoelen 1B en 1C. “Ik zag dat jullie ook een golftas incheckten”, zegt hij, terwijl de pretoogjes achter zijn bril glinsteren. “Klopt”, antwoordt de geluksvogel. “Voor het eerst sinds jaren brengen wij onze oude liefde Ierland een bezoek. Dat kan niet zonder golftassen. Wij spelen enkele kleinere, minder bekende banen in West-Cork, zoals Bantry Bay en Glengarriff. En u?”

“Old Head”, grijnst de man, onderwijl knikkend naar de stoelen op de eerste rij met blonde tieners aan de andere kant van het gangpad. “Met mijn zoon en dochter daar. De derde, bij het raam, is een vriendinnetje van mijn dochter, met een single handicap. Benieuwd wat haar score op Old Head zal zijn.”

De geluksvogel zit dan al te likkebaarden. Mamma mia, Old Head of Kinsale. Twintig jaar geleden, toen die baan net een jaar open was, speelde hij er zelf ook een keer, op uitnodiging van het Iers Verkeersbureau, helaas in de mist die er vaak boven de warme zee blijft hangen op de dagen dat het er toevallig níet waait. De ronde leverde hem dientengevolge minder plezier op dan gehoopt. Toch herinnert hij zich de ruige schoonheid van het Ierse schiereiland in de Atlantische Oceaan waarop de baan is aangelegd, de hoge kliffen, de onvermijdelijke vuurtoren, de mysterieuze misthoorn die die dag dreigend vanuit de vochtige, onzichtbare verte weerklonk, en in de daaropvolgende jaren de enthousiaste verhalen van Europese en Amerikaanse golfjournalisten die er zonder mist hadden gespeeld.

Wat hij zich bovenal herinnert is de hoogte van de greenfee die hij gelukkig niet hoefde te betalen: 150 Ierse pond (de euro was nog niet ingevoerd).

“Old Head? Oei, wat mooi”, zegt de geluksvogel welgemeend tegen zijn medepassagier. En dan plagerig, zoals zo vaak: “Met vier man? Is uw portemonnee wel dik genoeg?”

“Ja hoor”, lacht de man. “Al is dat in mijn geval geen vereiste: ik ben lid van Old Head en kan de kinderen tegen sterk gereduceerd tarief introduceren. Even voorstellen: Bart-Jan van Genderen. Ik ben ook voorzitter van De Goyer.”

“Zal ik jullie anders óók introduceren?”

Even later vertelt Van Genderen vertelt hoe hij, tijdens de meest recente economische crisis waar Ierland zo onder leed, tot de Old Head-elite doordrong, toen de entreefee die naast de jaarlijkse contributie voor een lidmaatschap van het prestigieuze golfresort moest worden opgehoest noodgedwongen was verlaagd. Sindsdien, zegt hij, betaalt hij een jaarcontributie die niet afwijkt van die van de gemiddelde Nederlandse golfclub. Regelmatig vliegt hij voor een dag of vier, vijf met Aer Lingus van Schiphol naar Cork Airport om op zijn tweede thuisbaan te gaan logeren en golfen, op nog geen half uurtje rijden van dat vliegveld.

“Zal ik jullie anders óók op Old Head introduceren?” vraagt Bart-Jan plotseling. “Dan betaal je minder dan de helft, oftewel 125 euro per persoon. Normaal is het in het hoogseizoen 320 euro.”

Reeds voordat zijn vrouw kan protesteren – wat zij doorgaans heel snel doet – hapt de geluksvogel toe. Hun Ierse tripje zou toch al in Kinsale eindigen. Dat komt dus goed uit. De afspraken worden direct gemaakt, de telefoonnummers worden uitgewisseld, de geluksvogel herinnert zijn wederhelft op fluistertoon aan een wijsheid van wijlen zijn op luxe gestelde oude heer: “Je moet niet kijken naar wat het je kost, maar naar wat het je extra kost.” Op de dag dat het stel in Ierlands hoogst ontwikkelde culinaire plaats zal arriveren zullen Bart-Jan van Genderen en zijn puberale gevolg weliswaar alweer huiswaarts zijn getrokken, maar dat is volgens de Goyer-praeses geen probleem. Hij belooft alle zaken bij Old Head alvast te regelen en ook een starttijd te reserveren.

In de dagen erop spelen de geluksvogel en zijn vrouw inderdaad de banen van Bantry Bay en Glengarriff, hidden gems in West-Cork. Intussen ontdekt hij, regelmatig appjes uitwisselend met Bart-Jan van Genderen, dat Old Head op de lijst van de tien duurste golfcourses ter wereld de derde plaats inneemt, achter Shadow Creek in Nevada en het fameuze Pebble Beach in Californië, maar vóór bijna net zo beroemde banen als Whistling Straits (Wisconsin), TPC Sawgrass (Florida) en Pinehurst no. 2 (North-Carolina).

Ineens herinnert de geluksvogel zich ook wat een caddy van de oude golfbaan van Cork City hem twintig jaar geleden over de hoogte van greenfee van het toen pas enkele maanden geopende Old Head zei.

“It’s a rip off”, zei de caddy.

Vertaling: “Het is afzetterij.”

De geluksvogel heeft geen seconde spijt

Klopt dat? Nadat zijn eega en hij een week later vanuit de oergezellige en al vaker door het tweetal bezochte watersportplaats Kinsale op het schiereiland zijn gearriveerd, de slagboom met de vriendelijke guard zijn gepasseerd en over het kronkelende oprijpad met aan weerszijden de prachtige hortensia’s naar het imposante clubhuis zijn gereden, lijkt de geluksvogel oor een moment geneigd de Cork-caddy gelijk te geven.

Het introductietarief van Old Head bedraagt geen 125 maar 160 euro per persoon, voor de benodigde buggy moet 60 euro worden afgerekend. Er wordt derhalve meteen 380 euro van de creditcard afgeschreven, waar later nog 50 euro voor een originele Old Head-headcover, 120 euro voor een origineel Old Head-regenjack en 60 euro voor een handvol originele pints of Murphy en twee originele glazen Pinot Grizio aan de bar bij kunnen worden opgeteld.

Totaal: 610 euro.

Dan helpt zelfs die oude wijsheid van de vader van de geluksvogel even niet meer.

Toch hebben de geluksvogel en tot zijn grote verrassing ook zijn vrouw later geen seconde spijt. De ontvangst blijkt allerhartelijkst, de caddymaster laat zich gelden als een goedlachse humorist en de baan zelf is wat iedereen ervan zegt: een beauty van een linkscourse die haar gelijke in de wereld niet of nauwelijks kent. Nergens zijn de kliffen en rotspartijen adembenemender dan op dit schitterende bijna-eiland, waar de waanzinnig mooie, hier en daar uitbundig geonduleerde holes met hun moeilijke greens zich een weg langs al die eeuwenoude, naar goede Ierse traditie nooit met de grond gelijk gemaakte ruïnes banen, in aangenaam veel gevallen richting de fraaie witte vuurtoren die Old Head markeert, daar waar de branding beneden met woest uiteen spattende schuimkoppen op de basaltblokken stukslaat.

De geluksvogel kan zich goed voorstellen dat een groot deel van de lokale bevolking destijds lange tijd dwars lag toen de plannen voor de golfbaan werden ontvouwd. Dit was hun eigen, unieke, eeuwenoude wandel- en natuurgebied waar ook hun voorouders al verpozing zochten. Bovendien was het een waardevol vogelreservaat. Toch kan het hem bekoren dat het de initiatiefnemers uiteindelijk gelukt is de vergunningen te verkrijgen: Old Head is werkelijk een van de meest imponerende golfbanen die hij ooit speelde, met holes pal langs tientallen meters hoge, vrijwel verticaal aflopende kliffen (vooral bij de twaalfde en de nieuwe dertiende hole, respectievelijk een par-5 en een par-3) waar in verband met de harde wind meestal op de oceaan moet worden gemikt om de kans op een veilige landing van de bal te verhogen (op die par-3 stopte de bal van de geluksvogel op twee centimeter van de vlag, misschien zelfs wel tot zijn opluchting omdat het verplichte hole-in-one-rondje voor het clubhuis vol dorstige Amerikanen hem waarschijnlijk een faillissement zou hebben opgeleverd).

Vaak zijn ze de aardigheid zelve

“Wat vind je van die Amerikanen?” vraagt een inwoner van Kinsale ‘s avonds aan de bar van het Blue Haven hotel in Kinsale aan het van tevredenheid gloeiende echtpaar, terwijl de mannelijke helft ervan een positieve bijdrage levert aan de winst- en verliesrekening van brouwerij Murphy (lees: Heineken).

Tja, de Amerikanen. Ze komen er met bussen tegelijk. Dat zouden ze trouwens ook doen wanneer de greenfee 500 euro per persoon zou bedragen: hoe duurder hoe aantrekkelijker voor dat soort golfers. Meestal is Old Head daarbij onderdeel van een trip waarmee zo’n groep in zeven, acht dagen tijd alle dure topbanen van Ierland afwerkt, tegenwoordig inclusief het nieuwe peperdure resort Hogs Head in Waterville (“Het nieuwe Old Head” in Kerry), soms zelfs niet per bus maar per helikopter.

“Vaak zijn ze de aardigheid zelve, nu en dan bevestigen ze de vooroordelen”, antwoordt de geluksvogel zo diplomatiek mogelijk.

“Mijn vrouw werkt hier in een steakhouse”, vervolgt de man aan de bar van het Blue Haven-hotel. “Gisteren serveerde ze een groep Amerikaanse golfers, ware proleten die twaalf flessen wijn van 200 euro per stuk bestelden en aan het eind van de avond 650 euro aan tip op tafel lieten liggen. Krankzinnig toch?”

Ja, een beetje wel.

Wat zegt u?

Wat de scores van de geluksvogel en zijn vrouw waren?

Ach, als je het per slag uitrekent was het best een goedkoop dagje.

Reacties zijn gesloten.

rob@hoogland.nl