Press "Enter" to skip to content

Archief Golfers Magazine 2020

Archief Golfers Magazine 2020

Hier de stukken die ik tot nu toe in 2020 voor Golfers Magazine schreef. Klik op een nummer in de tabel als je een bepaalde column direct wilt lezen..


column golfers magazine 1 – 2020
Holland spreekt geen woordje mee

Hoera, twee spelers erbij op de European Tour! Mijn complimenten, Darius van Driel en Lars van Meijel! H, O, L, L, A, N, D, Holland spreekt een woordje mee!

“De activiteit in de frontaalkwab en de pariëtaalkwab verandert als iemand bewust een leugen vertelt. Dat is te meten met een fRMI-hersenscan”, las ik zojuist over de verbeterde versie van de leugendetector. Onderwerpt men mij aan zo’n test wanneer ik de eerste alinea van dit stukje voorlees, dan zou alleen de tweede zin mij geen problemen opleveren. Bij zin 1 en zin 3 zouden mijn frontaalkwab en pariëtaalkwab op tilt slaan.

Juichen over het Nederlandse topgolf is misplaatst. Jazeker, we hebben Joost en Anne. Jazeker, we hebben sinds dit seizoen Darius en Lars. Jazeker, op de Challenge Tour spelen ook Nederlanders. En jazeker, Dewi komt eraan, al moet zij nu wel opschieten. Maar voor de rest is het niet veel soeps.

Niet dat wij de enigen zijn. Wat te denken van de Home of Golf? Schotland kon tijdens de Challenge Tour Grand Final met Connor Syme (veertiende van de vijftien) ternauwernood één representant toevoegen aan de European Tour, waar nu in totaal slechts zeven Schotten speelgerechtigd zijn, allemaal in het rechterrijtje, om het in eredivisietermen te zeggen. Tijdens de Q-School faalden zelfs alle Schotse deelnemers.

Het is dus niet uniek, maar met uw welnemen concentreer ik mij verder op Nederland en wijs ik er in de eerste plaats op dat Darius van Dries en Lars van Meijel de tot nu toe belangrijkste stap in hun carrière zonder NGF-steun hebben gedaan, nu en dan bijgestaan door de professionals van GolfTON, een privé-opleidingsinstituut van onder anderen oud-bondscoach Eric der Kinderen.

De centralisatie, enkele jaren geleden, van het NGF-topgolfbeleid en de benoeming van Maarten Lafeber tot bondscoach hebben nog niet tot opvallende resultaten geleid. Golfteam Holland leidt zelfs min of meer een slapend bestaan. Lafeber beschouwt zichzelf overigens nog steeds als speler en is slechts parttime als bondscoach werkzaam. Dat zegt volgens mij veel.

Tuurlijk, de Nederlandse jeugd – zoals in alle sporten de basis van alles – is nauwelijks geïnteresseerd in golf. De laatste cijfers, van oktober 2019, vertellen dat nog slechts 8.023 golfers van jonger dan 18 jaar actief zijn. Maar hoe je het ook wendt of keert: dat moet vooral de NGF zich aantrekken. De NGF heeft nu eenmaal als taak mogelijkheden te creëren en uit te breiden.

Ook op topsportniveau.

Waarom lukt het de Denen en Zweden wel en ons niet?

Kom maar op met die fRMI-hersenscan.

Ik zou de test bij het voorlezen van de laatste alinea’s glansrijk doorstaan.


column golfers magazine 2 – 2020
Ierland is de enige echte home of golf

Gek op lijstjes, deze meneer. En helemáál gek op golflijstjes. Zo zoefde onlangs de top-100 van Ierse golfbanen van golfworldtop100.com mijn mailbox binnen. Ik droomde er een hele avond mee weg.

Klopt, het wemelt wereldwijd van de golftop-100’s. Volgens mij zou je zelfs een top-100 van golftop-100’s kunnen samenstellen. Maar laat me nou even. Een haatdragende orthopedisch chirurg, zelf nota bene een golfer, heeft vorig jaar enkele essentiële onderdelen bij mij vervangen. In de fysiotherapeutische aftermath daarvan is het beoefenen van de sport der sporten nog altijd slechts in beperkte mate mogelijk. Qua golf moet ik het momenteel vooral van wegdromen hebben.

U weet toch dat Ierland de enige echte home of golf is?

Zeker, de Schotten eisen die eer op. Nuchter beschouwd hebben ze een punt. Maar waarom zou je iets nuchter moeten beschouwen? Ik heb twee problemen met Schotland: 1. Scotspeak houdt het midden tussen eendengekwaak en schapengeblaat, 2. er wonen te weinig Ieren. Geen beroerd volk verder hoor, de Schotten. Op 11 augustus 1995 heb ik zelfs nog een Schot zien lachen. Echt waar! Het geschiedde in de Tutties Neuk Inn in Arbroath, overigens wel eerst nadat ik hem een glas van de lokale Arbikie’s Highland Rye Single Grain had aangeboden. Maar ja, de Schot is geen Ier. Met andere woorden: de Schot is géén vrolijke en bescheiden golfer met een gezonde dosis zelfspot, dol op sing song en soortgelijk vertier.

Het zal u duidelijk zijn dat ik in de eerste plaats van golfen in Ierland houd omdat Ieren zulke gezellige mensen zijn.

Al hebben ze ook verdomd mooie banen.

Dat ik een geluksvogel ben is al eens uitgelegd in een verhaal voor dit prachtblad over die ene keer dat het mij plotseling gegund werd, dankzij een toevallige ontmoeting hoog in de lucht, om Old Head of Kinsale te spelen, een van de meest prestigieuze banen ter wereld.

Ik stelde het nogmaals vast toen ik die top-100 doornam.

1. Royal Portrush – check. 2. Royal County Down – check. 3. Portmarnock – check. 4. Waterville – check. 5. Lahinch – check. 6. Ballybunion – check. 7. The European – check. 8. Doonbeg – check. 9. Ballyliffin – check. 10. The Island – check.

De top-10 heb ik allemaal gehad!

En Old Head staat er niet eens bij!

Zonder uitzondering linkscourses, die ik stuk voor stuk met golftas en al heb betreden, soms geassisteerd door een caddy en meestal met rampzalig resultaat. Maar wat doet het er toe.

Om de onthulling compleet te maken: van de top-25 heb ik er 20 gespeeld, van de top-50 liefst 37 en van de top-100 in totaal 66.

Nog 34 te gaan dus.

Verlos mij, fysio!


column golfers magazine 3 – 2020
Een golfbaan is de Haagse Markt niet

Mijn eerste reactie: pardon?! Mijn tweede reactie: huh?! Mijn derde reactie: WTF! U bent een golfer. Misschien wel tegen beter weten in ga ik er om die reden vanuit dat enige beschaving u niet vreemd is. Wat WTF betekent moet u daarom maar even in de Urban Dictionary opzoeken.

Toch haalde ik ‘m terecht van stal. Als gevolg van de verzwaring der regeringsmaatregelen in het kader van de bestrijding van de coronacatastrofe werden ook de golfbanen half maart gesloten. Daar snapte ik meteen al geen jota van.

We mochten naar buiten van Mark Rutte en Hugo de Jonge. Ze raadden ons zelfs aan onze lichamelijke fitheid middels fietstochtjes en wandelingen te bevorderen, mits wij daar locaties voor selecteerden waar het niet krioelde van de mensen. Niet op de Haagse Markt dus, om een voorbeeld te noemen van een plek waar het gezonde verstand, gezien de massaliteit waarmee de maatregelen daar aan de laars werden gelapt, nog zeldzamer bleek dan een verse banaan.

Wat was er om die reden meer geschikt dan een golfbaan? Dat stranden en openbare parken kunnen volstromen werd al snel duidelijk, een bewijs dat ze op de Haagse Markt niet het alleenrecht hadden op oogkleppendomheid. Golfbanen kunnen nooit volstromen. Je moet daar geen anderhalve meter, maar minstens tweehonderd meter afstand houden van de mensen die voor je lopen. Alleen de spelers met wie jij een flight vormt – Engels woord, maar gebruik het nooit in Engelstalige landen, daar schieten ze dan onbedaarlijk in de lach – komen bij je in de buurt. Maar daar kun je afspraken over maken. Sterker nog, je kunt met de golfbaanexploitanten of verenigingen overeenkomen om alleen in tweeballen te spelen. Ik noem maar iets.

Dat mocht dus ook al meteen niet.

Ik begreep de terughoudendheid van de NGF en de exploitanten om direct protest tegen het besluit aan te tekenen wel. Ik hoorde het oorverdovende gekrijs al van de niet-golfers, die nog steeds zwaar in de meerderheid zijn en hun vooroordelen over de golfsport maar al te graag uitschreeuwen. Uit pr-overwegingen deinsde men daar wellicht voor terug. Maar ik zag reeds vanaf dag 1 geen enkele reden om golfers te verbieden hun sport net als de wielrenners, bmx’ers en hardlopers die gewoon hun gang konden blijven gaan te beoefenen. Het kon geen kwaad, stelde ik terstond vast. De RIVM-richtlijnen werden ermee gerespecteerd. Golf is alleen een contactsport op de negentiende hole.

Clubhuis dicht? Uiteraard. Geen toernooien en officiële wedstrijden? Natuurlijk. Geen publiek op de baan en elkaar zoveel mogelijk mijden op het parkeerterrein en de teeboxen? Vanzelfsprekend.

Maar hé, je speelt in deze sport zelfs met je eigen bal.

WTF!


column golfers magazine 4 – 2020
Golfvermaak in coronatijden

Goed, regrippen kan ik nu dus ook. Dat komt ervan in golfloze coronatijden: de uren die je anders op de baan vult, wil je toch zoveel mogelijk in golfsferen doorbrengen.

Waren mijn grips versleten? Mannen als Rory, Brooks en Joost zouden die vraag volmondig met ja beantwoorden, vrouwen als Tyu Kong Wang en Lui Nan Kim wellicht ook, of weet ik veel hoe die Koreaantjes allemaal heten: net als je geleerd hebt hoe je hun naam moet spellen trekken ze in Seoul weer een nieuw blik mysterieus glimlachende, onverslaanbare topspeelsters open.

Bijna zag de
Highland S340
Low Flight
Bazooka
Super Double
Distance het
levenslicht

Voor mij waren ze níet versleten. Mijn grips, bedoel ik, niet Tyu en Lui. Laat daar geen misverstand over bestaan, ik heb al genoeg aanklachten wegens misogynie aan mijn geruite golfbroek hangen. In het oude normaal vond ik, als alledaagse ploeteraar, een paar vlekjes of krasjes op mijn grips geen probleem. Ter versterking van mijn argumentatie voeg ik daaraan toe dat ik ook wel eens met Blokker-ballen speelde.

Nu, echter, in het nieuwe normaal van de golfvrije anderhalvemetersamenleving, had ik plots zeeën van tijd. Ik golf zo’n twee keer per week achttien holes. Dat alleen al is negen tot tien uur. Als je daar dan ook nog de reis- en verblijftijden bij optelt – in de nazit klop ik Rory, Brooks en Joost genadeloos – kom je op vijfentwintig uur. Ruim een halve werkweek, dames en heren luisteraars! Waaraan ik dankzij Covid-19 zomaar op een andere wijze invulling diende te geven. En dus bestelde ik een set Winn Classics plus toebehoren. Jumbo’s uiteraard, want ik heb handen als kolenschoppen.

Ik zag een golfpro eens een grip vervangen. Hij deed er een minuutje of drie, vier over. Bij mij duurde het, in mijn schuurtje, tien keer zo lang (en dat maal dertien). De oude grip eraf slopen ging nog wel, al had ik misschien beter geen roestig, vooroorlogs Stanley-mes kunnen nemen. Maar toen moest de oude tape eraf, die zonder uitzondering muurvast zat. Om nog maar te zwijgen over het aanbrengen van de nieuwe tape, die pas dubbelzijdig plakt als je het beschermlaagje eraf hebt gepulkt: in mijn geval – ik verwijs naar mijn kolenschoppen – tot zelfmoordneigingen drijvend monnikenwerk. Toch deed ik ook een spectaculaire ontdekking: nadat al mijn grip solvent was verspild, probeerde ik het met wasbenzine van de Gamma. En toen was het zo gepiept.

Tja, ik zei het al: meneer speelt soms ook met Blokker-ballen.

Maar goed dat we nu weer de baan in mogen, want anders was ik ook nog mijn eigen clubs gaan maken: de Highland S340 Low Flight Bazooka Super Double Distance, met sweetspot in de hosel.


column golfers magazine 5 – 2020
Ik had weer eens nieuwe ijzers, joechei!

En toch ontbrak er een belangrijke maatregel in de coronapakketten der polderlandse golfbanen: “Zelfs ook tijdens non qualifying oefenrondes en onderlinge wedstrijden in welke vorm dan ook, dienen de spelers te allen tijde de stableford-regelgeving in acht te nemen. Het opnemen van de bal zodra er geen punt meer kan worden gehaald is derhalve verplicht.”

Shanks
werden
gevolgd
door hooks,
airshots
door
hazennaaiers

Een andere belangrijke beperking had dan niet eens opgelegd hoeven worden. Want laten we wel wezen: als je de bal halverwege een hole opraapt, kún je de vlaggenstok niet eens meer aanraken. Bovendien zouden de golfers de baan ook een stuk sneller weer hebben verlaten. Dat was vóór 1 juni toch echt de bedoeling. We werden gedoogd, daar kwam het op neer. Maar nu we toch niet voor extra inkomsten in het clubhuis konden zorgen, moesten wel zo snel mogelijk weer oprotten.

Of spreek ik nu toch iets te veel namens mezelf?

Zou kunnen, besef ik ineens. Vol verwachting toog ik voor mijn eerste golfronde in drie maanden naar mijn homecourse. Ik had weer eens nieuwe ijzers aangeschaft, joechei! Wéér was ik erin geslaagd mezelf op de mouw te spelden dat mijn definitieve doorbraak daardoor dichterbij dan ooit was. En wéér werd ik meedogenloos met de neus op de feiten gedrukt. Shanks werden gevolgd door hooks, airshots door hazennaaiers, en inderdaad raapte ik mijn bal keer op keer steeds moedelozer voortijdig op.

Niet getreurd: we kunnen ons weer voor een uurtje of twaalf per dag – sinds 1 juni mag ik de 19de hole gelukkig weer meetellen – aan de ketenen van het huwelijk ontworstelen. Voor mij persoonlijk is daar zelfs voor de rest van mijn treurige golfcarrière nog een extraatje bijgekomen: Lodewijk Klootwijk, directeur van de NVG (Nederlandse Vereniging van Golfbaaneigenaren), heeft mij beloofd dat ik tot 15 november 2050 overal gratis kan spelen. Nou ja, oké, die datum noemde hij niet specifiek. Maar ik vind het wel een geinige gedachte dat ik tot de dag dat ik eeuweling word voor noppes op – ik noem maar een dwarsstraat – Bernardus kan golfen.

Deal, Lo?

Dank, man!

Ik had een column geschreven, moet u weten.

Klopt, dat doe ik wel vaker. Maar in dit geval had ik beweerd dat het merkwaardig was dat de toen nog geldende lockdown geen effect had op het functioneren der talloze fietsers, mountainbikers en hardlopers onder ons, maar wél op dat van de golfers, terwijl onze sport goedbeschouwd zelfs zonder extra maatregelen al coronaproof was.

“Hier doe je ons een groot plezier mee!” riep Lodewijk, die toen al in onderhandeling met de overheid was. “Jij kunt straks overal gratis spelen!”

Ik ga ook akkoord met een standbeeld.


column golfers magazine 6 – 2020
Een sportieve versie van De Hulk

Als hard core jojo nam ik met interesse kennis van het feit dat Bryson DeChambeau heden ten dage als een sportieve versie van De Hulk over de golfbanen rondstampt.

Hij kon
schrokken,
grote
brokken, een
koe en een
kalf en een
heel paard
half

Er zijn periodes dat men mij dankzij het fruitdieet dat ik mijzelf dan altijd streng opleg Mister Twiggy kan noemen. “Hoe lang heb je nog?” vroeg onze caddymaster de laatste keer, toen ik met holle blik en ingevallen wangen naar de eerste tee strompelde. Onlangs, echter, kon hij mij alweer andere woorden toevoegen. Constaterende dat ik niet meer als een getailleerde tuinslang oog, maar als Billie Turf, citeerde meneer een variant van Holle Bolle Gijs: “Hij kon schrokken, grote brokken / Een koe en een kalf en een heel paard half…”

Probeer dan die bal nog maar een hengst te geven.

Geen wonder dus dat het huidige doen en laten van Bryson DeChambeau mij bovenmatig boeit, hoewel er toch wel sprake is van een verschilletje: als ik twintig kilo ben gegroeid raak ik helemáál geen bal meer, terwijl zíjn soortgelijke metamorfose, nota bene in december vorig jaar al door hem aangekondigd, hem drives van 340 meter heeft opgeleverd. Binnen een half jaar slaagde hij erin erkende longhitters als Brooks, Rory en DJ te passeren. En dat is niet het enige. Als hij de toernooien waaraan hij deelneemt niet wint (update: later won hij bijvoorbeeld ook het US Open), eindigt hij steevast in de top-tien.

Boeiende vogel, die Bryson. Bij alle, maar dan ook echt bij alle ontwikkelingen die in de golfsport als algemeen geaccepteerd worden beschouwd, zet hij zijn wetenschappelijke vraagtekens. Daarom speelt hij met clubs van een en dezelfde lengte. Daarom is hij nu toe aan de negende versie – binnen een half jaar! – van een XXXXXXX-stiff shaft van een bedrijfje (ik kan mij een X’je vergissen) waarin hij zelf participeert. Daarom legt hij tal van deskundige adviezen over wat een topsporter moet eten glashard naast zich neer. Daarom heeft hij lak aan de alom geuite waarschuwingen dat dit hem op den duur gezondheidsproblemen gaat opleveren.

Power, dáár gaat het om, vindt Bryson. Daar waren, in tegenstelling tot in ‘the old days’, inderdaad al meer spelers en coaches van overtuigd geraakt. Maar de manier waarop híj die extra kracht vergaart is uniek. De uren die hij in het krachthonk doorbrengt zijn ontelbaar. En zijn dieet is onvoorstelbaar. Ik doe een greep: zeven (!) proteïneshakes per dag, een ontbijt met vier gebakken eieren en vijf plakken bacon, diners met XXXL biefstukken en grote schalen patat, uitgebreide tussendoortjes waarvan dikke proteïnerepen en uitbundig met pindakaas gesmeerde sandwiches deel uitmaken.

Hoe meer massa, hoe meer kracht.

Je suis Bryson!

Oké, op de baan nog even niet, maar dat is een kwestie van tijd.


column golfers magazine 7 – 2020
Mooi van lelijkheid

Klopt, mijn eigen swing is slechts vergelijkbaar met die van Charles Barkley, een voormalige basketbalgrootheid wiens slagen het publiek bij elke ProAm waaraan hij als celebrity deelneemt nu al jarenlang de stuiplach bezorgen.

Als Sir Charles afslaat, lijkt het wel alsof hij niet op een teebox staat, maar op een surfplank in de branding van Oahu.

Bij windkracht 11, wel te verstaan.

Aangezien ik het over een lelijke swing wil hebben kan ik mij daarom voorstellen dat degenen die wel eens in mijn gezelschap een golfronde hebben gespeeld, zich afvragen of ik geen boter op mijn hoofd heb. Maar hier zit ik, ik kan niet anders, ik heb dit seizoen nu eenmaal, op Ziggo Golf, week in week uit Matthew Wolff aan het werk gezien. De pas 21-jarige Amerikaan boekt het ene topresultaat na het andere en slaat zijn drives dik 300 meter ver. En dat doet hij met een swing die mijn oud-tante Hendrikje, ware zij een golfliefhebster geweest, ongetwijfeld als ‘uniek’ zou hebben omschreven. Ik herinner mij namelijk haar commentaar toen haar een vroeg CoBrA-schilderij onder ogen kwam.

“Hoe vindt u het, tante?”

“Uniek.”

Oud-tante Hendrikje vond het maar geklieder.

Oud-tante Hendrikje zou de swing van Wolff als uniek hebben beschreven

En dan volgt nu een beschrijving van het geklieder van Matthew Wolff, die om te beginnen een knik met zijn linkerknie richting het doel maakt. Vervolgens wacht hij een seconde en tilt hij zijn club, terwijl zijn linkervoet bijna loskomt van de grond, verticaal omhoog, waarna hij het clubhoofd achter zijn rug naar beneden laat vallen, zijn rechterheup zo snel mogelijk naar voren gooit en de stok bijna horizontaal door de bal trekt. Swingspeed: 130 mijl per uur.

Lelijk? Nou en of. Zet al die bewegingen maar eens, splitscreen op je computer, naast die van Louis Oosthuizen: een fantastische, klassieke swing die hem ogenschijnlijk geen enkele moeite kost. Maar Matthew is cryin’ all the way to the bank. Net als zijn landgenoot Jim Furyk, die eveneens een geheel eigen swing ontwikkelde, waarmee hij bijvoorbeeld de US Open en de FedEx Cup won. En net als Eamonn Darcy vroeger, wiens stijl helemáál nergens op leek. Maar wél vier Ryder Cups gespeeld, die ouwe Ier.

De talloze Amerikaanse analytici op de golfkanalen in dat land raken niet over de swing van Matthew Wolff uitgepraat. Maar zelf denk ik vooral aan wat Jack Nicklaus ooit zei, toen hem gevraagd werd waar beginnende jongeren in de golfsport op moesten letten.

“Op één ding slechts”, antwoordde de Golden Bear. “De bal zo hard en zo ver mogelijk slaan.”

Wellicht heeft Matthew Wolff goed naar hem geluisterd.

Heerlijk dat dit soort golfers nog bestaat.


column golfers magazine 8 – 2020
Die ene hole, dáár gaat het om

Dit is óók zo mooi aan golf: zelfs als je handicap 36 hebt kan het zomaar gebeuren dat je tijdens een pro-am een birdie maakt op een hole waarop je medespeler Joost Luiten – of moet je tegenwoordig Wil Besseling zeggen als je de beste golfer van Nederland als voorbeeld wilt noemen? – een par laat noteren.

Over die andere zeventien holes heb je het natuurlijk niet tijdens de naborrel. Die ene hole, dáár gaat het om. Die ene hole waar jij een betere score haalde dan ‘s lands meest gerenommeerde golfer. Dat jij op die bewuste par-3 van de gele tee sloeg en hij van de backtee doet er niet. Dat jij een houten 3 nodig had en hij een ijzeren 8 doet er óók niet toe. Dat jij de bal niet echt met de sweetspot raakte en zelfs een halve hazennaaier produceerde, is evenmin van belang. Je flikte het toch maar mooi. De bal rolde echt tot een halve meter van de vlag.

Ik weet waarover ik het heb, golfvrienden en -vriendinnen. Ik heb ook weleens aan pro-ams meegedaan, bijvoorbeeld als lid van een journalistentrio dat in de aanloop naar het Dutch Open van 2003 tot de Deen Sören Hansen was veroordeeld. Het geschiedde op de Hilversumsche, waar ik op de 16de hole iets flikte wat veel golfkenners tot dat moment voor onmogelijk hadden gehouden: ik liet Sören lachen.

Dat jij een houten 3 nodig had en hij een ijzeren 8 doet er óók niet toe

“Er moet een bunker aan de linkerkant zijn”, zei Sören op de tee. “Waar is-ie?”

“Waarschijnlijk aan de linkerkant”, zei ik.

Verdomd als het niet waar is: hij grijnsde!

Vervolgens maakte ik een par en hij een bogey.

Toen grijnsde hij weer níet.

Maar laten we elkaar geen mietje noemen, landgenoten. Ik citeer onze voormalige tennistopper Tom Okker, ook een fanatiek golfer (handicap 4): “We kunnen er geen reet van.” Want zo is het. Onlangs werd mij de eer gegund om met de teaching pro van Sluispolder de wei in te mogen, een jongeman genaamd Remy Weyand. Het was alweer jaren geleden dat ik met spelers van dat niveau een flight vormde, dus ik was blijkbaar toch weer een beetje vergeten hoe verschrikkelijk groot het verschil is tussen goeie golfers en de 99,9% die de andere golfers vormen.

Alleen die balvlucht al: almaar licht stijgend, totdat de bal bijna verticaal aan de zwaartekracht toegeeft. Of de lengte: metertje of tachtig verder. Om nog maar te zwijgen over zijn swing en release.

En waar had ik het in het clubhuis over?

Dat ik er ergens een putt van acht meter in mikte, en hij lekker niet.

Ik leer het nooit.


column golfers magazine 9 – 2020
Daarom ween ik nu, lotgenoten

Elfstedenwinter. Halve meter sneeuw. Temperatuur van min vijftien. Noordooster van kracht zeven. Ooit, geachte medeploeteraars, was mijn fanatisme als golfer zo groot, dat ik zelfs onder dergelijke omstandigheden, verpakt zoals Roald Amundsen toen hij in 1911 als eerste mens de zuidpool bereikte, niet terugdeinsde voor een rondje golf op Sluispolder. Met witte ballen uiteraard, hetgeen het zoeken in die halve meter sneeuw uitermate bemoeilijkte.

Gele ballen waren voor mietjes, klaar.

Ach, ik was nog jong en viriel, als ik na een barre voettocht over de eerste dertien holes bij het schuilhok van hole 14 arriveerde dwongen mijn onstuimige hormonen zelfs toen nog wensgedachten aan mij op waarin plaats was voor een innige samensmelting, in dat hok, met jonkvrouwe Madeleine Guillotine de Montrachet, destijds het favoriete lid van de deelnemers aan de Herenmiddag. Tegenwoordig is zij ingezetene van Huize De Laatste Ademtocht en haar ware naam is bij de redactie bekend.

Scoren wilde ik, scoren, scoren!

Moet je me nu zien.

Waarom golf ik nog?

Omdat ik een golfronde als een goede voorbereiding beschouw op een zo lang mogelijk verblijf in het clubhuis. Je kweekt honger en dorst tijdens zo’n rondje. O nee, dat mocht ik, als kind van vlak na de hongerwinter, nooit zeggen van mijn moeder. Je kweekt trek en dorst, zó moet ik het formuleren. Die moeten worden gestild en gelest. En dat kan nergens beter dan op Sluispolder, nog altijd mijn homecourse. Haute cuisine daar. Om die reden is golfen voor mij in de eerste plaats een sportief aperitief geworden, een sport die men beoefent alvorens men aan tafel gaat, of aan de bar gaat hangen.

De Nederlanders bleken weer eens de grootste egoïsten op aarde

Daarom ween ik nu, lotgenoten. Daarom snik ik nu, zachtjes maar oprecht. De Nederlanders bleken, in dit corona-tijdperk, weer eens de grootste egoïsten op aarde, met een schijt-aan-dronken-naatje mentaliteit en naar de maatschappij opgestoken middelvingers van recorddikte. Besmettingen? Wat kan ons het schelen! Snoeien, dat dorre hout! Het resultaat is dat de horeca weer op slot is gegaan, ook die van de golfbanen. In verband met die ontwikkeling mocht ik een e-mail van de secretaris van Noordhollandse golfclub ontvangen, waarin onder andere het volgende werd medegedeeld.

“We vragen iedereen dringend om met een mondkapje op naar binnen te komen en deze op te houden tot je weer buiten bent. Het clubhuis is gesloten, maar net als in het voorjaar is er een gezellige To-Go-bar. Daar kunt u terecht voor lekkere koffie, die heerlijke gevulde koeken & smakelijke sandwiches.”

Met een mondkapje op naar binnen…

Een gezellige To-Go-bar…

Ik zal er gebruik van maken, hoor. Ik laat die mensen niet zakken.

Maar toch: zou dammen inmiddels iets voor mij zijn?

Reacties zijn gesloten.

rob@hoogland.nl