Press "Enter" to skip to content

HP/De Tijd Foute Jongens februari 2019

hp/de tijd foute jongens 1 – 2019

Heerlijk knuffelbare mannenmannen

HP/De TijdRob HooglandNormaal gesproken, mijnheer Van Amerongen, houd ik de deur van de journalistieke keuken liever dicht. Weinig dingen irriteren mij meer dan incrowdverhalen over ons vak. Wat heeft de lezer eraan? Niets, zeg ik u. Voor één keer maak ik een uitzondering omdat mijn hart er vol van is.

Ieder jaar nodigen mijn huidige collega’s mij uit voor een feestje. Ieder jaar schmier ik dat ze zich daartoe niet verplicht hoeven te voelen omdat ik, ofschoon nog steeds als cursivist voor de krant actief, inmiddels deel uitmaak van het seniorenconvent, de enigszins badinerende benaming voor een gezelschap van pensionado’s dat eens in de zes maanden bijeenkomt, de begrafenissen niet meegerekend. Ieder jaar geven ze tot nu toe het antwoord waar ik dan stiekem op hoop: u hoort erbij, oom Rob. Ditmaal overigens aangevuld met: wij zijn OVT niet, meneer Freriks.

Ik heb het over de jaarlijkse kerstborrel van de huidige afdeling verslaggeving van De Telegraaf in een hoofdstedelijk etablissement. Ik meld mij er tien keer liever dan bij dat seniorenconvent, vooral omdat ik mij omringd weet door jonge, leuke, enthousiaste journalisten die in tegenstelling tot veel oudgedienden snappen hoe het vak tegenwoordig dient te worden uitgeoefend: 24 uur per dag, niet alleen voor de papieren krant maar ook online en via de sociale media. Dat ervaar ik als inspirerend, zoals zij het, naar mijn stellige indruk, wel op prijs stellen dat ik af en toe anekdotes uit het stenen tijdperk opdis.

Ditmaal vertelde ik, terwijl zij spreekwoordelijk bij mij op schoot klommen, het verhaal achter een foto die op oudejaarsdag 1981 paginabreed in de krant stond. Het Nederlandse mannenhockeyteam – etiquette speelt helaas een steeds kleinere rol, mijnheer Van Amerongen: toen noemden we het nog keurig ons herenhockeyteam – poseerde op die kiek in het hockeystadion van Bombay, tegenwoordig Mumbai, terwijl de spelers door mij persoonlijk volgeschonken glazen champagne hieven. Het wereldkampioenschap hockey vond daar plaats en ik wilde onze heren hun fans in het verre Nederland op deze manier een gelukkig 1982 laten toewensen.

Tegenwoordig drukt de fotograaf na voltooiing van zo’n klus op enkele knopjes en zoeft de foto via het web naar Amsterdam. Toen, echter, hou u vast, hier volgt de langste zin die ik ooit schreef: overhandigde de door mij ingehuurde Indiase fotograaf mij ter plekke het rolletje, reed ik vervolgens met dat rolletje in mijn zak achterop een brommer in een klein uur naar het vliegveld van Bombay, zocht ik daar bij de incheckbalie een NedLloyd-medewerker op over wie ik na een intensieve telefonische speurtocht reeds te weten was gekomen dat hij die dag met Swiss Air naar Amsterdam zou vliegen, vroeg ik de man of hij het rolletje wilde meenemen, moest ik hem er vervolgens van overtuigen dat er geen drugs in het rolletje waren verstopt, beloofde ik hem als dank voor zijn medewerking WK-kaartjes voor zijn in Bombay achterblijvende collega’s, benadrukte ik na zijn akkoordverklaring nogmaals dat hij op Schiphol zou worden opgewacht door een Telegraaf-employé, nam deze employé elf uur later het rolletje in ruil voor een goede fles wijn uit de kelder van Thomas Lepeltak van hem in ontvangst en stond de foto oudejaarsdag inderdaad in de krant.

Hoofdschuddend hoorden mijn jonge collega’s, daar in die Amsterdamse kroeg, het verhaal aan.

“Op die manier journalistiek bedrijven, oom Rob!” riepen zij. “Hoe was het in vredesnaam mogelijk!”

Welnu, het was mogelijk. De klok tikte nog aangenaam langzaam destijds.

Al ging die brommer best hard, langs al die krottenwijken.

Mist u die tijd ook zo, mijnheer Van Amerongen?


Want Tuurtje is niet pluis

Arthur van AmerongenIk zou dat seniorenconvent gewoon olifantenkerkhof noemen, opa Hoogland, al zag ik tijdens mijn talloze safari’s nooit klaverjassende jumbo’s, laat staan dat ze sigaren van het merk Hofnar rookten. En olifanten drinken geen vieux. De edele beestjes bezatten zich door overrijp fruit van de maroelaboom in hun darmen te laten gisten. Toch richt een starnakele kudde olifanten minder schade aan op de serviesafdeling in een willekeurig Blokker-filiaal dan een geblinddoekte Patty Brard met drie flessen Amarula in haar mik.

Jij wordt tenminste nog uitgenodigd op redactieborrels. Ik was zelfs op de kerstborrel van huis-aan-huis-blad Ede Stad, waar ik in 1975 de sterverslaggever van dienst was, persona nog grata. Toen ik groter werd, en dus meer moest drinken, kwam ik helemaal nergens meer binnen. Ik voelde mij als de protagonist in de smartlap Hij was maar een neger, vertolkt door zowel Johnny Hoes, de Zangeres zonder Naam als Rob Muntz.

Zoiets haal je niet in je huis

Omdat je ‘t noodlot dan tartte

Want Tuurtje, die is immers niet pluis

Het wonderschone protestlied is overigens geschreven door de legendarische Fred van Dam, die je wellicht nog kent van evergreens als Pappie, ik zie tranen in je ogen, Een klomp met een zeiltje, Zak’s lekker door en De heilsoldaat.

Ik mocht per ongeluk een keer aanschuiven bij het vloeibare kerstdiner van de Groene Amsterdammer en toen had hoofdredacteur Martin van Amerongen in zijn oneindige wijsheid besloten dat ik de disgenoot was van Geert Mak. Om een lang verhaal kort te houden: Geert stond na tien minuten hysterisch huilend op en brulde: ik maak er een einde aan want mijn leven is zinloos (het gerucht wil dat ik hem aanzag voor Anja Meulenbelt).

Geertemans sprong toen uit het raam van de pizzaboer aan de Weteringschans maar die bevond zich op de begane grond. We mogen blij zijn dat ons aller Geert de doodsmak overleefde want welke boekjes moet je anders aan je oma kado geven?

Over die nogal apocriefe anekdote van jou kan ik moeilijk heen maar omdat ik toch met mijn memoires bezig ben – ik doe nu al vijf jaar over de periode 1959-1960 – heb ik er ook eentje uit mijn oude doos (pun not intended).

Ik kwam regelmatig in Teheran en kreeg daar tijdens de jaarlijkse ayatollahverkiezing kennis aan een juffrouw die stewardess bij Air France was geweest maar nu haar stervende moeder verzorgde in Teheran. We besloten te gaan wippen in een skihut in Shemshag, het Sankt Moritz van de mohammedaanse republiek. Ik zal je de voorspelbare viezigheid besparen maar ik kreeg tijdens de daad telefoon van een bevriende Iraanse fotograaf van Reuters die waarschuwde dat er een klopjacht op mij plaatsvond in Shemshag. Een of andere mof zat net in de dodencel omdat hij met een Perzisch vrouwtje een pizza had gegeten!

Ik ben toen, met skibril, skimuts en moslimsnor op een sneeuwscooter naar de Fara Diba-luchthaven gevlucht en met behulp van de Nederlandse ambassade in een kist met dadels en vijgen op een transportvliegtuig van de KLM gezet. Wist je trouwens dat je bij zo’n vlucht geen Delfts blauwe miniatuurhuisjes krijgt? Ik ben daar nog steeds verbolgen over maar verder mis ik die tijd als kiespijn en aambeien.


Ze hebben het maar makkelijk, de jongelui

Rob HooglandHoe u het telkens weer voor elkaar krijgt is mij een raadsel, mijnheer Van Amerongen, maar u bent er andermaal in geslaagd deze rubriek een kant op te laten gaan, die ik liever mijd. Vanwaar toch steeds die platheden? Mannen van uw leeftijd die over ‘wippen’ beginnen, hebben iets triests, mijn waarde. Onze geliefde oosterburen hebben er een mooie uitdrukking voor: das war einmal. U zou er verstandig aan doen deze zin tot uw lijfspreuk te maken. Bovendien begrijp ik niet waarom u de anekdote die ik over de journalistiek van vroeger aan het papier toevertrouwde apocrief noemde.

Ik wilde slechts via een treffend voorbeeld uit ons beider vakgebied aantonen dat wat tegenwoordig als vanzelfsprekend wordt beschouwd, nog niet eens zo lang geleden heel wat voeten in aarde had. Ik had daarom ook de anekdote kunnen vertellen van die keer dat ik in september 1981 in Jürmala, Letland, dat toen nog tot het Sovjetrijk behoorde, het Davis Cup-duel tussen de tennisteams van de Sovjet-Unie en Nederland moest verslaan.

De Letse toeschouwers, die de Russen haatten, waren allemaal voor Nederland, maar helaas verloren wij met 5-0. Daar gaat het mij nu evenwel niet om. In dit verhaal zet ik de dienstdoende telefoniste in het perscentrum centraal, een vlezige, besnorde mevrouw met een knotje genaamd Ljudmilla. Zij had een zwarte bakkelieten telefoon op het tafeltje voor haar neus staan, naast een fles wodkalikeur. Met die telefoon moest zij namens mij naar Moskou bellen, waarvandaan ik dan werd doorverbonden met Amsterdam. Wat ik echter niet wist is dat de Sovjet-autoriteiten de aanwezige Nederlandse verslaggevers slechts één gesprek per dag toestonden, en dat mijn beurt na mijn telefonische vraag aan het thuisfront hoeveel woorden ik die eerste dag kon maken dus voorbij was.

“Njet!” riep de telefoniste steeds, haar fles wodkalikeur intussen steeds nadrukkelijker ledigend, als ik haar ervan probeerde te overtuigen dat het nu toch echt de hoogste tijd was om mijn verslag naar Nederland door te bellen. “Saftra, saftra!”

“Wat zou saftra eigenlijk betekenen?” vroeg ik ANP-verslaggever Joop van der Flier, die een woordenboekje bij zich had.

Joop zocht het op en zei: “Morgen.”

Grote paniek derhalve, maar maakt u zich geen zorgen, mijnheer Van Amerongen, een Hoogland is een Hoogland, met andere woorden: het werd opgelost. Er was weliswaar een verloving met een vlezige, besnorde mevrouw met een knotje genaamd Ljudmilla voor nodig, in combinatie met de aanschaf, op mijn kosten, van nóg een fles wodkalikeur, alsmede het omkopen met een flinke stapel roebels van de eveneens voortdurend aanwezige KGB-vertegenwoordiger, maar de krant ging nu eenmaal voor alles.

Ze hebben het maar makkelijk, de jongelui van nu.


Niets mooier dan onze male bonding

Arthur van AmerongenEn bedankt, Hoogland: zojuist heb ik mijn groenekoolbacalhausmoothie er uit gevomeerd. Ik kreeg namelijk beeld en zag jou met die uitgedroogde matroesjka. Je doet daar heel erg heldhaftig over, alsof het een verzetsdaad betrof in het kader van de koude oorlog en dat jij daar lag te zweten voor God, koning Wilhelmina en het droevige vaderland. Ik zag – nanaseconden voor ik mijn smoothie de ether in katapulteerde – hoe Ljudmilla’s kolossale peaud’orange-flubberbips de bakkelieten telefoon verzwolg en jij, met die eeuwige grijns van je, een duimpje omhoog stak naar het schilderij van Stalin.

Ik kan me trouwens niet voorstellen dat ze destijds in het Oostblok een decadent slobbertje als wodkalikeur schonken. Misschien had Boris, de wettelijke echtgenoot van jouw belvrouwtje, dat pikketanussie gestookt van oude Pravda’s, synthetische onderbroeken (z.g.a.n.) en koolbladeren, dat zou kunnen. Heb je haar na afloop nog de beloofde panties geschonken?

Hoe vind je ons nieuwe staatsieportret trouwens? Wat zijn wij toch heerlijk knuffelbare mannenmannen! Dat is onze woeste aantrekkingskracht: wij laten de oudere lezeressen toe in onze wereld, in die voor hun normaliter ondoordringbare ambiance van de locker room. Niets vinden de dames mooier dan deelgenoot te worden van onze male bonding (ik vind het flauw en kinderachtig om hier heel gratuit de term penisnijd te gebruiken). Daarom heb ik jouw voorstel om ons te laten portretteren in de hoofdstedelijke nachtsauna subtiel afgewimpeld. Fotografe Mieke vond het een enig idee en is zonder mijn medeweten toch een accreditatie aan gaan vragen. En wat bleek: ze kwam niet verder dan de drempel van die knusse ‘herenspa’ aan de Nieuwezijds Armsteeg. En daar sta je dan met een mond vol tanden, in de mondiale hoofdstad van de genderneutrale liefde. Dan mag kameraad Groot Wassink eigenhandig een regenbooggaybrapad schilderen in de Reguliersdwarsstraat, maar zolang Mieke niet naar binnen mag in de nachtsauna en in de wasruimte van de Mohammed Bouyeri-moskee aan het August Allebéplein, is er geen sprake van de intersectionele heilstadsstaat die ons beloofd is door GroenLinks.

Overigens is dit wellicht de laatste aflevering van de Foute Jongens want wij zijn gevraagd om acte de présence te geven in de talkshow van Jensen. Jij hebt gretig toegezegd omdat “Jensen minder ordinair is dan Twan Huys en veel betere kijkcijfers heeft”.

Ik ben net gerehabiliteerd door de VPRO en weiger mij te afficheren met RTL Unilever. Als de lezer hier de volgende maand een witte vlek ziet, weet zij hoe het komt: de Foute Jongens gingen ten onder aan hun succes.

P.S. Oom Rob, ik heb Jensen! afgebeld. Mijn psychiater Louis Tas zei dat dat slecht op mij zou afstralen.

4
Reageren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Aad Kraan

Hoogland zijn telegraaf stukjes waren wel aardig, maar Don Arturo zweept hem op tot ongekende hoogten.

René Alsemgeest

Dat je beurt voorbij was na het telefoontje hoeveel woorden je mocht gebruiken, is voor mij een erg leuke anekdote om, met bronvermelding, door te vertellen. Erg leuk!

Wil Op Den Buijsch

Godnondeju wat ‘n verhalen dit moet je eerst uitprinten om een overzicht te krijgen met een woordenboek wat er allemaal staat

rob@hoogland.nl