Press "Enter" to skip to content

Vrijpost 14 juli 2020

Het verhaal van Adolf… eeehh… Charlie

Vrijpost 14 juli 2020
Laten we het over huisdieren hebben, mijnheer Van Amerongen. Ik neem aan dat u nog steeds zoveel mogelijk exemplaren van dit boek wilt verkopen? Het levensonderhoud in de Algarve mag dan betaalbaar zijn, uw levensstijl vergt bij tijd en wijle een stevige investering.
Ik zal u
nu het
Geheim
van de
Telegraaf
onthullen

Ik ben een Telegraaf-medewerker, ziet u. Een vertegenwoordiger van de dierenkrant bij uitstek. Beter dan welke andere krant ook zijn wij doordrongen van het besef dat zielige dieren de verkoopcijfers ten goede komen.

Ik heb altijd ontkend dat het Geheim van de Telegraaf waar iedereen vroeger over sprak bestaat. “We weten gewoon wat er in de maatschappij speelt”, zei ik dan. Maar dat geheim bestaat natuurlijk wel. Ik zal het nu onthullen: wij publiceren aanzienlijk meer over dieren en hun leed dan de concurrentie.

Katten die via de Afsluitdijk van Oude Pekela naar Waterlandkerkje lopen om zich te voegen bij het daarheen verhuisde gezin waartoe zij daar op het Groningse platteland hun hele leven behoorden, misbruikte paarden en geiten, honden die à la Hachi in de gelijknamige Richard Gere-film jarenlang dag in dag uit post houden bij de brug over de sloot waarin hun baas is verdronken, hoogbegaafde cavia’s, rock & rollende hangbuikzwijnen, bungeejumpende Vlaamse reuzen: ze halen allemaal mijn krant en daar ben ik bijzonder trots op.

Sta mij toe dit relaas te beginnen met waar ik zo langzamerhand een beetje mijn bekomst van heb: het aanstellerige gedweep van Nederlandse schrijvers en columnisten met hun katten. Het is één groot cliché geworden. Een van hen was Gerard Reve, dat dan weer wel. Hij noemde de kat, net als trouwens de papegaai, de glimworm en de kruisspin, een katholiek dier. De vermaarde volksschrijver pende in zijn Verzameld werk deel 6 het volgende neer: “Vrijwel alle mensen, die er een kat op na houden, zullen u desgevraagd mededelen, dat zij dit doen omdat zij in de aanwezigheid van het dier behagen scheppen – ik laat hier het gebruik van een kat als muizen- en rattenvanger buiten beschouwing – en hun verklaring zal meestal hierop neerkomen, dat zij van het beest houden. Ik heb nog nooit iemand gesproken, die een kat hield en niet verzekerde op een of andere wijze aan zijn huisdier gehecht te zijn.”

Nu ja, dat gaat nog. Aangaande zijn gehechtheid betreffende Matroos Vos of andere Meedogenloze Jongens drukte de heer Reve zich doorgaans minder terughoudend uit. Maar wat bijvoorbeeld Remco Campert over zijn katten pleegt neer te pennen (net als vroeger Rudy Kousbroek, de vader van uw kompaan Gabriël, met zijn essay De aaibaarheidsfactor), mist inmiddels alle originaliteit en overschrijdt tevens veelal de grenzen der pathetiek. Campert, die ik verder zeer bewonder, schreef zelfs een boek dat Dagboek van een poes heette. Nu vraag ik u. Een andere literaire grootheid, te weten W.F. Hermans, wilde zijn liefde voor poezen tot mijn grote teleurstelling ook al niet onder stoelen of banken steken, schrijvers als Jan Wolkers en Frans Pointl evenmin.

Mijn enige echte vriendin Sylvia Witteman twittert tegenwoordig vrijwel uitsluitend over haar poes Lola. En NRC-columnist Frits Abrahams, die in tegenstelling tot de drie laatstgenoemde heren nog wél leeft, al is niet iedereen het daarover eens, kan er ook al geen genoeg van krijgen. Maar die hoorde ik jaren geleden op de roeptoeter, bij het interviewprogramma Kunststof, als ik het wel heb, eens bloedserieus ingaan op de vraag of zijn columns literatuur waren. Zo’n vraag behoren de dagbladcolumnisten van tegenwoordig – let wel: ik heb het niet over Carmiggelt – onmiddellijk weg te schateren, of te beantwoorden met: “Doe effe normaal schat, ik schrijf krantenstukkies.”

Elk wezen heeft recht op leven

Ik weet zeker dat u, als dierenliefhebber én als man in wiens hoofd ondanks uw nogal afwijkende levensstijl nog genoeg gezonde hersencellen actief zijn, het met mij eens bent dat dit soort kattenverhalen nog slechts een functie als slaapmiddel hebben. U heeft daar in de Oost-Algarve liefst drie Paraguayaanse honden. Jumbo, Dombo en Bimbo, als ik het mij goed herinner. Drie honden, dat zegt iets.

Zo zie je
maar hoe
snel een
beschaving
zich kan
ontwikkelen

Ooit waren het er zelfs vijf. U nam ze mee toen u van Paraguay naar Portugal emigreerde en onderweg gebeurde er van alles. Ik zou dat verhaal graag tot in de kleinste details willen vernemen. Wat dreef u ertoe tot dit besluit te komen? Waarom kon u het niet over uw hart verkrijgen om ze in Paraguay achter te laten? Met vrouwen ging u doorgaans slordiger om.

Dat ik meer dan gemiddeld in dat antwoord geïnteresseerd ben, heeft ook te maken met het feit dat het ambassadeurschap van de Second Chance Foundation een van mijn onbezoldigde nevenfuncties is. De SCF is een Nederlandse stichting die een asiel in La Linea de Concepçion beheert, tegenover Gibraltar. De Nederlander Peter Koekebakker (inmiddels overleden, RH) zwaait er de scepter en in zijn asiel wachten altijd tussen 500 en 600 honden op een nieuw baasje. Bavink, mijn eigen, inmiddels alweer negen jaar oude hond, die door de roemruchte, helaas overleden Amsterdamse caféhouder Jan Heuvel spontaan bij het ras Mechelse Beffer werd ingedeeld, verbleef er enige maanden nadat zij samen met haar broer vastgebonden aan een paal in Algeciras was aangetroffen. Ik adopteerde haar zeven maanden later, toen zij anderhalf jaar oud was.

Het is een van mijn beste beslissingen ooit geweest. Elk wezen heeft recht op leven. Zij geniet daar dusdanig van dat het mij door mijn duistere periodes heen helpt. Die hond inspireert me zelfs. Al blijf ik doordrongen van het besef dat de hond, net als de kat, van een lagere orde is, in geen enkel opzicht in staat de superioriteit van de mens te evenaren. De schrijvers en columnisten over wie ik hierboven sprak voorzien/voorzagen hun kat vaak zelfs van antropomorfische eigenschappen. Neem van mij aan: daar beschikt geen enkel dier over. Die beroemde tekeningen van biljartende honden, ook al zoiets. In werkelijkheid is een hond slechts een hond, die alles wat hij niet kan naaien of eten onder piest, zoals ik ooit ergens met grote instemming las.

Troost biedt het huisdier uiteraard wél.

Laat ik u het verhaal van Charlie vertellen.

Oké, een kattenverhaal, maar dan anders.

Naast mijn honden – in chronologische volgorde een Schotse collie genaamd Carlos, een poedel met drie poten die om die reden Dreyfuss heette, de cockerspaniël Gijs, de bouviers Boef en Boeli en de Mechelse Beffer Bavink, die eigenlijk Ruby heet en in werkelijkheid voor zestig, zeventig procent een turco is, oftewel een Spaanse waterhond – heb ik ook enkele katten als huisdieren gehad, zoals Beethoven, die stokdoof was, alsmede eentje die door mijn vrouw liefdevol Jolicoeur was gedoopt, naar het aapje uit Alleen op de wereld van Hector Malot. En dat terwijl mijn grootmoeder van vaderskant, die een viswinkel uitbaatte, er niet voor terugdeinsde om de katten die haar gelokt door de visgeur lastigvielen, onverwijld in een teil te verzuipen.

Zo zie je maar hoe snel een beschaving zich kan ontwikkelen.

Enfin.

De een geeft, de ander neemt

Tussen u en mij: Jolicoeur was een kolerebeest, dat tot in de verre omtrek geen enkele andere kat duldde en om die reden zelfs een gevecht van vier dagen en nachten in het kolenhok van de buurvrouw voerde. Met Godfried, om precies te zijn, de kat van diezelfde buurvrouw.

Van een
eerlijke
strijd
was niet
eens
sprake

Daar kwamen wij pas achter toen Jolicoeur na die vier dagen en nachten onder de bulten en schrammen, als Mohammed Ali na de Rumble of the Jungle, door het kattenluikje naar binnen wankelde, met vette roetvegen over zijn hele lijf, en de buurvrouw even later huilend kwam melden dat haar Godfried ernstig gewond was geraakt en aan één oog vermoedelijk zelfs blind was geworden.

“Zou het een roofvogel zijn geweest?” vroeg zij.

Ik zag al een schadeclaim opdoemen en antwoordde haar dan ook haastig dat dit zeer waarschijnlijk het geval was.

“Verderop zitten haviken”, zei ik zelfs. “Die kunnen heel gemeen zijn.”

In de tussentijd had ik elke nacht urenlang langs de provinciale weg gelopen, keer op keer in de stellige overtuiging dat Jolicoeur plat was gereden.

Zo’n kat dus, door mijn vrouw welhaast op z’n Sylvia Wittemans geadoreerd.

En toen kwam Charlie.

Charlie was de gecastreerde, zwart-wit gekleurde kater van een bevriend Brits echtpaar, dat na een verblijf van tien jaar in Nederland voorgoed zou terugkeren naar het perfide Albion. Deze oerlelijke kat was op dat moment reeds dertien jaar oud. Zijn eigenaars wilden hem geen quarantaineperiode van drie maanden meer aandoen, hetgeen toen nog verplicht was bij een (r)emigratie naar Groot-Brittannië. Zij vroegen of wij Charlie in huis wilden nemen. Voordat ik nee kon zeggen, zei mijn vrouw ja.

Het huwelijk, amice, is een kwestie van geven en nemen.

De een geeft, de ander neemt.

Dat u het maar weet, voordat u er weer eens aan begint.

Charlie heette Charlie omdat-ie onder zijn wit omrande neus een vierkant zwart stuk vacht had, dat op een bloksnor leek. “Hij deed ons meteen aan Charlie Chaplin denken”, glimlachte zijn oorspronkelijke eigenaar vertederd, toen hij hem een dag voor zijn vertrek uit Nederland kwam brengen. Ik wilde al zeggen dat Adolf om die reden een meer voor de hand liggende naam zou zijn geweest, maar bedacht bijtijds dat het verstandiger was dit voor mij te houden. Die mensen moesten de terugreis naar hun vaderland, zonder hun lievelingskat, met een gerust gemoed kunnen aanvaarden.

U raadt het al: het werd niks tussen Jolicoeur en Charlie, zoals ik hem toch maar bleef noemen.

Van een eerlijke strijd was niet eens sprake. Vanaf minuut één werd Charlie door de oorspronkelijke kat des huizes, een IS-terrorist avant la lettre, zowel in de woonkamer als in de keuken en de bijkeuken als ongewenste vreemdeling behandeld. Zelfs de weg via de trap naar boven werd hem door Jolicoeur belet. Toen koos Charlie maar voor een verblijf op de vloer onder de bestekkast in de keuken. Hij kon er niet eens rechtop zitten, maar werd er wel min of meer door zijn medehuisdier gedoogd. Daar schoven wij dan ook maar zijn bakjes voer onder, die hij nauwelijks aanraakte.

Wat we ook riepen, Charlie verroerde zich niet.

“Dit kan zo niet voortduren”, zei ik tegen mijn vrouw.

“We vinden een oplossing”, antwoordde zij zelfverzekerd.

Welnu, dat deed mijn vrouw, zij het op een andere manier dan zij oorspronkelijk voor ogen had. Na enkele dagen liet zij per ongeluk het tuimelraam boven het aanrecht op een kier staan, die voor Charlie net groot genoeg was om erdoor naar buiten te glippen. Alles beter dan een leven onder het schrikbewind van die terreurkat, moet hij hebben gedacht. En huppekee, daar ging hij. Als een over het prikkeldraad springende Vopo op weg naar de vrijheid.

Iedere ochtend waren de bakjes leeg

Charlie liet zich op geen enkele wijze meer verleiden om naar binnen te komen. In het begin zagen we af en toe, wanneer hij onder de laurierstruik dook, nog een glimp van hem in de tuin. Voor mij was dat reden genoeg om een paar avonden achtereen een bakje met het best denkbare kattenvoer op de rand van het nog steeds geopende tuimelraam te zetten.

Het ging
weer heel
goed met
Godfried,
zei de
buurvrouw
opgewekt

Zelf nam ik dan, telkens zo onzichtbaar mogelijk en met het licht uit, zwijgend plaats in een hoek van de keuken, met een touwtje in mijn hand waarvan ik het andere eind aan de haak van het raam had geknoopt, en met een huishoudelijk ingeschonken glas Ierse whiskey binnen handbereik. Charlie zou dit nooit kunnen volhouden, redeneerde ik. Het kon niet anders of hij zou op een gegeven moment uitgehongerd op de vensterbank springen. Dan zou ik met een ruk aan dat touwtje het raam dichttrekken en mij liefdevol over Charlie ontfermen.

Ziet u het voor u? Ik avond in avond uit urenlang in hurkhouding in een donkere keuken op Charlie wachten, mijn vrouw tegelijkertijd languit met een tevreden spinnende Jolicoeur op schoot op de driezits in de huiskamer naar Morse kijken, waarvan we alle afleveringen op band hadden staan. “Lukt het schat?” riep zij af en toe. En: “Wil je soms nog een glaasje Jameson?” Daar liet zij het bij. Ik ook, trouwens. Ik wilde de stilte niet verstoren en had op dergelijke momenten ook geen behoefte om met haar een gesprek aan te gaan. Zij was de schuldige, immers. Zij had deze situatie nota bene gecreëerd. Ik liep er bijkans een dubbele hernia en een ernstige vorm van alcoholisme van op, maar Charlie kwam niet meer opdagen.

Wat te doen?

Ik piekerde mij suf, mijn wederhelft eveneens, en toen, na een paar dagen, wisten we het plots: als Charlie door de tuin zwerft, dan schuilt hij vast en zeker af en toe in de schuur. Verdraaid, dat was het, dat kon niet anders. Waarom hadden we dit niet eerder bedacht? We moesten gewoon elke avond een bak voer en een bak water in de schuur zetten. Als bleek dat hij het opat, dan was het goed, concludeerden mijn vrouw en ik.

Dan was Charlie op een bepaalde manier gelukkig. Dan bleef hij immers probleemloos in leven, hooguit enigszins verwilderd, maar wellicht zou hij dat niet eens in de gaten hebben. Dan moesten we er vrede mee hebben dat Charlie niet meer naar binnen wilde komen. Hij was al oud, tenslotte. Hij had het allemaal al gehad. Charlie kon je niks meer wijsmaken, die kat had een overdosis aan levenservaring. Wie weet had hij allang ergens in de buurt, verderop in de duinen, zo ver mogelijk van Jolicoeur in elk geval, een prachtige permanente slaapplaats gevonden, waar hij zich door niets en niemand bedreigd hoefde te voelen.

Geloof het of niet: iedere ochtend waren de bakjes leeg.

Echt helemaal schoongelikt, keer op keer.

Ik blij, mijn vrouw blij, want Charlie blij.

De enige die niet blij was, was Jolicoeur, die we in tegenstelling tot vroeger ter bescherming van Charlie ’s nachts binnen hielden.

Maar wat denkt u dat er toen gebeurde, mijnheer Van Amerongen?

Doe uw veiligheidsriemen maar om.

Komt na een paar weken de buurvrouw weer eens op de koffie. Ja, die van Godfried inderdaad. Het ging weer heel goed met Godfried, zei mevrouw opgewekt. Hij was weliswaar blijvend blind aan één oog geworden, de dierenarts twijfelde trouwens of dat wel aan een roofvogel te danken was, maar ze had niet de indruk dat hem dat nog veel deerde.

Godfried ging sinds kort zelfs weer hele nachten naar buiten, vertelde ze trots. Dat had hij heel lang niet aangedurfd, dus dat was heel fijn. Als ze eerlijk was ging het zelfs té goed met Godfried, zei ze toen. Hij werd maar dikker en dikker en dikker, ook nadat ze hem in overleg met de dierenarts op een speciaal dieet had gezet.

“Snapt u nou hoe dat komt?” vroeg zij.

“Geen idee”, antwoordde ik.

Ik had natuurlijk wél een idee.

Ik wist óók iets anders, namelijk dat Charlie al weken eerder definitief afscheid van ons had genomen.

Vrijpost 14 juli 2020
Dit verhaal werd eerder gepubliceerd in het Grote Foute Jongens Boek deel 1.
4 Reacties
Inline Feedbacks
Zie alle reacties
Hein
28 dagen geleden

Ha ha mooi verhaal.

Theo vedder
28 dagen geleden

Dat leest lekker weg, prachtig verhaal.

Henk Buis
28 dagen geleden

Mooi verhaal Rob, als kattenliefhebber was het voor mij heel herkenbaar. Onze, in La France aangelopen zwarte kater Pouky, die eigenlijk Poekie zou moeten heten maar door mis communicate destijds met de Franse dierenarts tijdens zijn ‘behandeling’ is hij behalve ex man ook Pouky geworden, dat zagen wij later pas… Lees verder »

marc
27 dagen geleden

Leuk en zeer geestig verhaal Rob ;-))

rob@hoogland.nl
4
0
Reageer!x
()
x