Press "Enter" to skip to content

Vrijpost 28 maart 2020

Met de stem van mei

Vrijpost 28 maart 2020
Negen jaar oud, verliefd op zijn moeder: de Jeppe van 1956. Zijn moeder is een betoverende, donkere vrouw, een Noord-Hollandse uit Noord-Hollandse ouders, maar met de ogen en het haar van de meisjes die na de avondmaaltijd gearmd langs de haven van Pozzuoli flaneren. Overal waar zij loopt, volgt hij haar. Hij is haar enige kind.
In die dagen
haast de
moeder van
Jeppe zich
steeds naar
het voorraam

Buurman Rooks noemt hem De Schaduw. Als de vader van Jeppe op zee verblijft, komt Rooks, een weduwnaar, regelmatig via de achterdeur binnen. Is Jeppe thuis, dan klimt de jongen bij zijn moeder op schoot, vaker dan wanneer iemand anders op bezoek is. Zijn blik vol argwaan, terwijl hij uitdagend tegen haar aanschurkt.

“Aha, De Schaduw, dat is waar ook, ‘t is woensdagmiddag.” Rooks zegt het met een rauwe, scherpe stem, slechts van toon veranderend als de maand mei zich aandient. Dan staat hij dagelijks uren zwijgend tegen het muurtje van zijn voortuin geleund. Breekbaar als een dun wijnglas, blik naar de grond, Golden Fiction tussen de zwaar beringde vingers. De oorlogsdagen. Zijn zoon kwam niet terug.

Buurman Rooks is een vroegtijdig gepensioneerde fotograaf en een verwoed motorrijder. Hij heeft zijn winkel in het centrum van de stad van de hand gedaan, hij is in goeden doen, hij bezit een zwarte, drie jaar oude Matchless 500cc. Sinds kort gaat hij een paar keer per week rijden met Yuri, een jongeman uit Boedapest. Een maand geleden heeft hij hem in huis genomen.

Net als duizenden anderen is Yuri zijn vaderland ontvlucht nadat de Sovjets de Hongaarse Opstand hebben neergeslagen. Als hij bij Rooks is ondergebracht, koopt hij met geld dat hij van zijn weldoener leent een rode Jawa Perak 250cc, ééncilinder, tweetakt. Yuri is een mooie jongen, die met dezelfde vanzelfsprekende nonchalance op zijn motor zit als Marlon Brando in The Wild One. Hij heeft een litteken boven zijn linkerwenkbrauw en spreekt enkele woorden Duits.

Eén keer wekt de Hongaar, een handige vent die al na een paar dagen kleine klusjes in de buurt begint te doen, Jeppe’s bewondering.

‘Guck mal’, zegt hij, vlak voordat hij een schemerlamp op het dressoir van Rooks aanklikt. Het licht springt aan, er verschijnt een papieren doodshoofdje op de kap, zorgvuldig tegen de binnenzijde geplakt.

In die dagen haast de moeder van Jeppe zich steeds naar het voorraam als zij Yuri zijn Jawa hoort starten.

Het zachte gebons van vogellichamen

Het is pas half december, maar de winter is reeds begonnen. Net als in de voorafgaande winter, die van het Pact van Vrouwbuurstermolen tussen de vijf koplopers in de Elfstedentocht, vriest het hard. Nu al kampen de vogels met een voedselgebrek.

Van de sneeuw is die dag geen centimeter gesmolten, voor Jeppe’s moeder geen beletsel om met een grote zak oud brood in haar hand en een smeulende Lexington in haar mondhoek aanstalten te maken om in hun Ford Zodiac te stappen. Zij wil naar de Troelstrakade rijden, vijfhonderd meter verderop. Zij is een van de weinige vrouwen uit de buurt met een rijbewijs.

Zij vraagt Jeppe of hij meegaat. Hij reageert nurks, wegkijkend. Wat is er vandaag met jou aan de hand, vraagt zij. Niks. Kom nou, dit duurt al de hele dag, wat is er loos. Niks. Klassieke moeder-en-zoon discussie, om duizenden verschillende redenen gevoerd. En weer wint de moeder: uiteindelijk weet zij haar zoon achterin te commanderen.

Jeppe kent elke plank van het witte houten bruggetje waar ze de auto twee minuten later parkeren. Onder de brug is de afgelopen zomer Eveline Visscher verdronken, het dochtertje van de loodgieter. Toen hij de volgende dag zijn rechterhand al lopend over de afgebladderde leuning liet glijden, drongen zich tientallen splinters in het vlees van zijn vingertoppen. Toch ging hij ermee door.

Als uit het niets laten ontelbare kokmeeuwen en stadsduiven zichzelf in de directe omgeving van het tweetal krijsend en koerend uit de lucht vallen. Onder een staalblauwe, koude hemel vechten de vogels om elk stukje witbrood dat Jeppe’s moeder op het ijs bij het bruggetje en op de besneeuwde oever naast de sloot gooit. Zij straalt in haar lange, grijze, getailleerde tweedjas. Zij voelt zich onaantastbaar.

Regelmatig glijden er schaatsers voorbij die de scheuren in het ijs uit het oog verliezen als zij de beeldschone vrouw zien staan. Jeppe kijkt met de handen in zijn zakken toe, gebelgd, bokkig. Dan vraagt hij of hij ook wat brood mag hebben. Zij geeft hem een handvol en gaat weer door met voeren van de uitgehongerde beesten. Hij loopt naar de Ford en wordt eveneens belaagd door de agressieve vogels. Hij opent het achterportier en gooit zijn broodstukjes op de achterbank.

Zijn moeder gaat zo op in de taak die zij zichzelf heeft opgelegd, dat zij het dichtklappen van het portier niet eens bemerkt. Pas als zij de zak na een paar minuten heeft geleegd, ziet zij hoe haar zoontje gebiologeerd naar de auto staat te kijken. Vanuit de cabine weerklinken gedempte kreten en het zachte gebons van vogellichamen tegen de ramen.

Snel duwt zij Jeppe opzij om het portier te openen. Twee kokmeeuwen vliegen schreeuwend naar buiten en zoeken terstond een veilige hoogte. Op de bank ligt, bebloed en uit elkaar getrokken, een stervende stadsduif, lichtgrijs lijf, donkergrijze vleugels. Juist als zij hem optilt, breken zijn ogen.

Echo’s boven de Troelstrakade.

“Waarom, Jeppe, waarom?”

De plechtankers van onverschrokken durfmoed

De vader van Jeppe is kapitein op een groot baggerschip, meestal in Zuid-Oost Azië. Hij is slechts twee of drie keer per jaar thuis, een maand, hooguit zes weken.

In de eerste week zorgt dat steevast voor spanningen. Keer op keer maakt hij de klassieke zeemansfout zichzelf op zee wijs te maken dat thuis vaders wil wet is. Daarna bedaren de gemoederen. Totdat de man weer vertrekt, zijn uniform alvast aan.

Die winter heeft hij een klus in de Straat van Singapore die liefst een half jaar zal duren. Het luidruchtig citeren, met de reeds half geleegde fles Bokma binnen handbereik, van zijn favoriete zin ‘Een gerust geweten en een koel hoofd, zijn in barnende gevaren de plechtankers van onverschrokken durfmoed’, blijft Jeppe ditmaal dus bespaard, net als de discussies tussen zijn vader en Rooks tijdens de gezamenlijke borrels in de voorkamer. Eigenlijk kun je het geen discussies noemen, maar monologen. In de vorm van tirades, op jenever gestookt. Met zijn buurman als de spottend grijnzende toehoorder en zijn vrouw breiend of bordurend aan de andere kant van de opengeschoven glas in lood deuren.

“Motorrijders? Zielenpoten, man. Jij hebt toch ook die Chevrolet hier voor de deur staan? Waarom ga je dan toch steeds weer op die malle motor zitten? Valse romantiek, dat is het. Je voelt je heel wat in dat leren pak, je speldt jezelf op de mouw dat je het ultieme vrijheidsgevoel hebt ontdekt. Maar aan het einde van de rit ben je toch dezelfde sukkel als iedereen. De laatste tijd lees ik steeds meer over Route 66, dat het een bedevaartsweg voor motorrijders wordt. Laat me niet lachen. Het leven speelt zich niet op Route 66 af, maar in de Burgemeester Palingstraat. Weet je waar kerels van jouw leeftijd last van hebben als ze op een motor kruipen? Ze krijgen ‘m niet meer omhoog.”

Zeebonkentaal uit de mond van een grote, ruwe man die tien maanden per jaar vierentwintig uur per dag in een ondraaglijke, vochtige hitte louter tussen soortgenoten vertoeft. Zijn vrouw haat het als hij zo praat, zijn zoon begrijpt het niet altijd. Soms neemt zijn vader hem enthousiast mee naar de speedwaywedstrijden op de sintelbaan in het sportpark. Jeppe zit daar altijd met zijn handen voor zijn oren naar te kijken, die verongelukte Duitser van vorig jaar zal hij nooit vergeten. Toch bewondert hij zijn vader, al is hij nu blij dat de man aan de andere kant van de wereld zit: na lang aandringen heeft de jongen zijn moeder toch verteld wat hem dwars zit.

Zijn moeder schrikt hevig. Zij is betrapt door haar eigen kind en ze hebben het niet gemerkt. Ze zei nog zo tegen hem: ga naar huis, soms wordt Jeppe ‘s nachts wakker en komt hij zijn bed uit. Maar hij wilde blijven. Ze trekt haar zoon hard en onhandig op schoot, ze stamelt iets over een lekkage die moest worden gerepareerd, ze beseft meteen dat zij ongeloofwaardig overkomt. De lekkages, die doet loodgieter Visscher. En alleen overdag, dat weet Jeppe ook.

Weinig is er nog over van de vrouw die een paar uur eerder, toen zij bij het witte bruggetje aan de Troelstrakade de vogels stond te voeren, de tweelingszuster leek van Sophia Loren in L’oro di Napoli, begerig gevolgd door honderden Napolitaanse mannenogen.

Op het moment dat zij door het voorraam, in het licht van de straatlantaarn, buurman Rooks ontwaart, voorzichtig voorbij schuifelend in de sneeuw, duwt zij Jeppe van zich af. Zij verbiedt hem uitdrukkelijk om met haar mee te gaan en haast zich naar buiten.

Jeppe kan niet horen wat zij zeggen. Wel ziet hij, starend door het raam, dat Rooks, vlak nadat zij hem heeft aangesproken, door woede wordt overmand. Soms schudt de buurman hevig zijn hoofd, soms heft hij zijn dik ingepakte armen ten hemel, één keer geeft hij zelfs een schop tegen het muurtje van zijn voortuin. Zijn moeder veegt af en toe tranen uit haar ogen, dat ziet Jeppe ook. Intussen roken ze de ene sigaret na de andere, totdat ze blijkbaar ergens overeenstemming over bereiken en de vrouw weer naar binnen gaat. Zij had niet eens haar tweedjas aangetrokken.

Ach, die jongen op zijn motor

Vierenzestig jaar oud, alleen op de wereld: de Jeppe van 2011. Hij staat voor het graf van zijn ouders. Zijn moeder is twee maanden geleden overleden, op 87-jarige leeftijd.

Zijn vader stierf drie jaar eerder. Een mooie dood, één diepe zucht en hij was weg, zei de verpleegster. Old man’s friend, ruim een halve eeuw nadat hij met tegenzin was ingegaan op de smeekbede van zijn vrouw om voor een baan aan de wal te kiezen: opzichter bij een scheepsbouwbedrijf. Waarom zij dat van het ene op het andere moment wilde, was hem een raadsel. In de weekends zat hij soms urenlang in zijn eentje op de pier van IJmuiden naar de zee te staren.

De grafsteen van spiegelglad Belgisch hardsteen is eindelijk geplaatst, Jeppe wil zien wat ervan is geworden. Het sobere resultaat bevalt hem. Hij is nooit getrouwd. Twee keer zou het gebeuren, twee keer haakte hij af, bij dezelfde vrouw. Tot zijn pensionering, een paar jaar terug, was hij gezagvoerder bij de KLM. Hij deed alle impopulaire vluchten, hij was toch alleen. Minstens driemaal per week spint hij tussen modellen in strakke leggings op de fitnessclub: een paardenbloem in een veld blauwe druifjes. Hij is naar het kerkhof gekomen met de Moto Guzzi waarop hij zichzelf ‘s zomers sinds twee jaar vervoert.

“Die ouwe zou eens moeten weten dat ik tegenwoordig motorrijd”, denkt Jeppe. “Wat zou hij tekeer gaan, het woord midlifecrisis zou elke tien seconden vallen, ik ben nu ongeveer net zo oud als Rooks destijds.”

Hij weet nog precies wat zich de volgende ochtend afspeelde. Hij was reeds aangekleed, hij zou naar school gaan, de enige openbare van die tijd, achter het katholieke ziekenhuis waar zuster Nicodema de scepter zwaaide over de wasserij. Hij zat in de derde klas bij juffrouw Van Lienen, de oude, verzuurde vrijgezellin die haar leerlingen bij wijze van straf met een liniaal op de vingers sloeg.

Hij weet zelfs nog dat zijn moeder nagels zat te bijten, dat deed zij anders nooit. Er werd geen woord gewisseld tijdens het ontbijt, tot zij de stilte verbrak. Dat van gisternacht, zei zij, vertel dat maar niet aan papa. Zij keek hem indringend aan. Zij had dikke kringen onder haar bloeddoorlopen ogen. Jeppe knikte slechts en hoorde toen de motoren starten.

Zijn moeder reageerde te laat om hem tegen te kunnen houden. Nu, in 2011, bij het graf, beseft hij dat het gekkenwerk was om onder die omstandigheden te gaan rijden. Het weer was weliswaar omgeslagen, maar het ijzelde. Met zijn stationair draaiende Matchless stond Rooks nog op de stoep. Hij had zijn lange leren jas aan en wilde net zijn helm opzetten toen hij zijn buurjongen zag naderen. Hij glimlachte vermoeid. Kijk uit dat je niet uitglijdt, Schaduw, zei hij met de stem van mei.

Yuri stond reeds op straat geparkeerd, zijn rug schuin naar hun huis. Veel minder ontspannen dan anders, als een versteende farao bijna, zat de Hongaar op zijn warmdraaiende en volgepakte Jawa. Hij keek niet op of om, hij negeerde Jeppe volkomen, hij wachtte op een signaal van zijn gastheer.

Rooks trok zijn handschoenen aan en draaide zijn gashandel eerst volledig open, zijn motor nog in z’n vrij: de brul van een oude luipaard die zijn prooi is kwijtgeraakt. Daarna zette hij zijn fiets in de eerste versnelling om voorzichtig de stoep af te rijden. Yuri volgde hem, nog steeds recht voor zich uitkijkend, het kind geen blik waardig gunnend Zij glibberden de richting van de Troelstrakade op.

Voor Jeppe is het nog altijd een glashelder beeld, die twee tergend langzaam rijdende coureurs in het halfdonker, allebei met hun motorschoenen over de spiegelende straat glijdend om te voorkomen dat zij vielen. Onmiskenbaar wilden zij niets meer met elkaar te maken hebben, toch waren zij onlosmakelijk met elkaar verbonden. Nadat ze uit het zicht waren verdwenen, kon Jeppe ze nog lange tijd horen. Toen daarna ook het geluid wegstierf, draaide hij zich om. Hij zag zijn moeder nog net bij het raam wegduiken.

Automatisch herinnert hij zich het moment dat zij er vorig jaar in haar seniorenflat aan de kust over begon. Hij schrok. Er was zoveel veranderd in die vierenvijftig jaar. Wie de wereld wilde aanschouwen hoefde de huiskamer niet meer uit. Juffrouw Van Lienen van de derde klas was Esther van groep vijf geworden. Er vond een revolutie plaats, groter dan alle andere: internet. Alles wankelde, maar deze onderlinge afspraak bleef recht overeind staan: geen woord over die nacht. Zijn vader had voor een baan aan de wal gekozen. Dat moest zo blijven, hij wilde hem niet kwijt, zij evenmin.

Ze dronken thee aan de tafel bij het raam. Kaatsend over de duinen besprongen de lichtstralen van de ondergaande zon haar grijze haren, toen zij zei dat zij hem zo dankbaar was. Glimlachend om zijn verbaasde blik legde ze het uit. Ze vroeg of hij er vaak aan had teruggedacht. In het begin wel, antwoordde hij. Ze pakte zijn hand, gepijnigde blik op haar bejaarde, knappe gezicht, in alles was zij nog een Italiaanse mama. Ach, die jongen op zijn motor, zei zij. Het was bij die ene nacht gebleven. Dank zij jou, zei zij erbij.

En buurman Rooks dan, vroeg hij. Zij schoot in de lach. Nee zeg, antwoordde zij, zo’n oude kerel. O ja, hij wilde graag, hij hield zijn handen thuis, maar hij maakte steeds toespelingen, zoals zoveel mannen. De preutse jaren vijftig. Nou, ze wist wel beter. Maar ondanks alles hield ze nu eenmaal van zijn vader.

Rooks was buiten zijn zinnen geraakt. Die klootzak gaat morgen de deur uit, riep hij. Haar ziel werd gekliefd en toch wilde ze het zo. Jarenlang had ze daarna het gevoel dat ze haar zoon met een pedagogische miskleun had opgezadeld, al die tijd leefde ze ook tussen de hoop dat Jeppe het voorval was vergeten en de vrees dat hij het zijn vader toch zou onthullen. Later sprak ze er alleen met Rooks nog een enkele keer over. Hij zei weinig, hij weigerde haar zelfs te vertellen waar hij de Hongaar die dag had achtergelaten.

Nooit meer had ze iets van Yuri vernomen.

Rooks moet hier ook liggen, denkt Jeppe op het kerkhof.

Als hij het verweerde, door onkruid overwoekerde graf van zijn voormalige buurman eindelijk heeft gevonden, moet hij snel bukken voor een duif die zich vlak boven zijn hoofd uit de klimop van een schutting losworstelt en wegfladdert.

Geen nest, weet Jeppe. Een duif toont slechts onverschrokken durfmoed in de periode dat hij zijn kroost moet bewaken.

De vogel boven de bomen volgend, fascineert het Jeppe als ex-piloot wederom dat houtduiven de zwaartekracht al kunnen tarten met slechts enkele krachtige vleugelslagen, die steeds weer worden afgewisseld met een onnavolgbare zweefvlucht.

Vrijpost 28 maart 2020

5 reacties

  1. Marcel 29 maart 2020

    Bedankt weer Rob. Top stukken

  2. Henk van Campen 29 maart 2020

    In één woord: HEERLIJK!

  3. Evert 29 maart 2020

    Je kunt er wat van ome Rob ! Pet af

  4. Richard 30 maart 2020

    Ik heb dit ooit al eens gelezen. Het ontroert mij nog steeds.

    • Rob Hoogland 30 maart 2020

      Zou kunnen, Richard. Is eerder gepubliceerd in een boek getiteld Motorrrraria. En als bonusverhaal in mijn bundel De Grote Hoogland. Dank!

Reacties zijn gesloten.

rob@hoogland.nl