Press "Enter" to skip to content

Vrijpost 31 mei 2020

Hoogtepunt: geciteerd door A. L. Snijders

Vrijpost 31 mei 2020
Op het strand van Egmond ontmoette ik een aardige, oudere mevrouw uit Amsterdam-Noord. Zij herkende mij van mijn portretje in de krant en vertelde prompt haar levensverhaal.

Ik dacht dat alle paden die in dit soort gesprekken worden gevolgd al platgetreden waren. Niet dus: ze zette mij met één simpele uitspraak klem. Ik beschreef het gesprek in een paar regels en mailde ze naar A. L. Snijders, een van mijn helden. Tot mijn verrassing citeerde hij het stukje in zijn volgende zkv.

Ik citeer hieronder het zkv (Zeer Korte Verhaal).

Dood

Ik zit vaak alleen in de auto te wachten op het parkeerterrein van een supermarkt. Mijn vrouw doet de boodschappen. Vanmiddag zit ik in de auto een verhaal van Alma Matthijsen te lezen. ‘Liefde kun je niet eten. Een non-fictieverhaal over familiebanden, sekstoerisme en een onvermijdelijke dood’. Hoewel ik het raam heb opengezet, is het te warm in de auto, ik val in slaap zonder dat ik het merk. Ik word dus ook wakker zonder dat ik het merk.

Een stem zegt dat ik kennelijk dood ben en dat hij niet weet waar hij die dood moet melden. Ik antwoord dat ik niet dood ben, waarop hij opgelucht reageert. Het is een vriend die in hetzelfde dunbevolkte landschap woont als ik, we wonen op een kilometer afstand van elkaar. Onze vriendschap heeft een signatuur die ons erg bevalt. We hebben het woord vriendschap nooit genoemd, we zien elkaar soms vier keer per week, en soms een jaar niet. Over deze golfbeweging (de kern) wordt nooit gesproken.

Dit moment bij de supermarkt is bijvoorbeeld de eerste ontmoeting dit jaar. Ik denk wel dat hij op de hoogte is van het corona-virus, maar ik moet raden naar zijn reactie erop. Terwijl we praten over mijn dood bijvoorbeeld zit ik bij het open raam in mijn auto en hij staat ernaast. Of hij zich houdt aan de een-meter-vijftig regel weet ik niet, ik schat het op een meter, maar ik kan geen kant op, we hebben onze vriendschap nooit officieel laten registreren.

Als ik thuis kom, heb ik op m’n computer een bericht van een andere vriend die ik nauwelijks zie. Het is Rob Hoogland, sinds mensenheugenis columnist van De Telegraaf. Ik weet niet sinds wanneer we bevriend zijn, maar ik kan wel raden dat zijn hond genoemd is naar de beroemdste kunstschilder uit onze literatuur.

Hij schrijft: ‘Ik wandel met Bavink op een strand van Egmond en word aangesproken door een oudere vrouw in badpak: “Ben jij die vent van de krant?” Na mijn bevestigende antwoord begint ze aan haar levensverhaal, best boeiend, ze komt uit Amsterdam-Noord, haar vader werd verraden en belandde in het concentratiekamp, ze komt hier al 45 jaar elk weekend, enzovoorts. Maar ik heb over een uur een afspraak in Alkmaar. Als ik na tien minuten wil doorlopen, zegt ze: “Ik lees altijd je stukjes. Nou moet je ook een keer naar mij luisteren”.’

Die vrouw heeft gelijk, een columnist in een krant is het eigendom van de straat en het strand. Als hij ontdekt wordt door zijn lezers, mag hij niet vluchten. Het is zoals het toelaten van de wolf. Als dat een beschermd dier wordt, mag je hem niet doodschieten als je ontdekt dat hij een schapendoder is.

Vrijpost 31 mei 2020