Press "Enter" to skip to content

Vrijpost 7 mei 2020

De oerdrift en haar gevolgen

Vrijpost 7 mei 2020
Arthur: Heb jij veel last gehad van Telegraaf-haat, oom Rob?
Rob: Ach, nee. Het was er wel, het is er nog steeds, zij het minder. Ik stond en sta er nog altijd boven. Toch is mij daarmee ooit, één keer, de stuipen op het lijf gejaagd. U wilt zeker weten waarmee?

Arthur: Als het even kan wel. Ofschoon ik soms het idee heb dat er van Telegraaf-haat zelfs helemáál geen sprake meer is. Ik ben er, als wonderboy van echte kwaliteitsbladen als De Groene en Het Parool, mee opgegroeid. En soms mis ik dat gekanker op de Telegraaf. Iedereen is tegenwoordig veel te aardig voor die krant van jou. Jullie lijken potdorie wel salonfähig geworden. Ook in dit geval verlang ik af en toe best terug naar die goeie ouwe tijd.

Hier ligt ook
een zekere
mate van
snoeverij
aan ten
grondslag

Rob: U bent niet de enige. Hoewel met enige schroom, voel ik mij nu verplicht u het verhaal van mijn circumcisie te vertellen.

Arthur: Van je circumcisie? Hahaha! Ben je besneden? Jij, Rob Hoogland, de meedogenloze Telegraaf-columnist die niet stoelen of banken steekt dat hij helemaal niets met religie heeft? Nog even en je gaat me vertellen dat je aan ramadan doet, of op de sabbat weigert te schrijven! What’s your middle name, my friend? Moos of Mo?

Rob: Ja, doet u maar weer grappig. Het ligt evenwel iets anders, jonge vriend. Het is een uiterst pijnlijk verhaal dat ik lang heb verdrongen. Maar het moet nu maar eens aan de openbaarheid worden prijsgegeven. Ongetwijfeld zullen velen, nadat zij het hebben gelezen, elkaar besmuikt aanstoten zodra ze mij op straat ontwaren, maar het is niet anders.

Ik laat dit horrorverhaal in de hoofdstad van Argentinië beginnen. Als ik eerlijk ben ligt daar ook een zekere mate van snoeverij ten grondslag, en wel van het type dat de grote Roald Dahl aan zijn beroemde creatie Oom Oswald toebedacht. De lezers en u dienen er namelijk goed van doordrongen te zijn, mijnheer Van Amerongen, dat ik niet mijn hele leven lang dag in dag uit gemakzuchtige bureaustoelcolumnistiek heb zitten bedrijven, maar net als u ook veel van de wereld heb gezien. Ik ben een ware kosmopoliet! Ik beminde overal vrouwen!

Arthur: Tuurlijk man! Meer dan Julio Iglesias, George Simenon en Ron Jeremy bij elkaar!

Rob: Al heb ik mij nooit, zoals Oom Oswald, per ongeluk met een lepralijdster tussen de lakens begeven. Toch is er ook een andere reden om het verhaal in het verre Zuid-Amerika van start te laten gaan: de vrouw die mij erop wees dat ik mij na mijn terugkeer in Nederland bij een arts diende te vervoegen, was woonachtig te Buenos Aires. Ik ken haar adres nog uit mijn hoofd: Mansilla 2542. Net als die vervelende trap, buitenom, naar haar voordeur op die galerij, waar ik nog een rot smak heb gemaakt na een avondje gezamenlijk stappen.

Of Eleonora, zoals zij heette, daar nog woont, of überhaupt nog in leven is: ik weet het niet. Onze wegen scheidden zich na mijn verblijf van bijna een maand in deze bruisende metropool, waar ik als verslaggever het WK hockey van 1978 bijwoonde. Er was nog wel enige tijd contact, maar dat vervaagde, zoals altijd. Het lichtte alleen nog even op nadat een vriend van mij, die haar jaren later op mijn verzoek een bezoek bracht, in haar woonkamer een foto had gemaakt, waarop zij schaterlachend poseerde terwijl zij een mij bekende vlek op de muur achter haar tv aanwees.

Ik was jong en viriel in die dagen, Eleonora liefst veertien jaar ouder maar nog zo wild als een veulen (ik scheelde slechts zes jaar met haar zoon, die in Mexico woonde).

Arthur: Haha! Als ze nog leeft is ze nu dus dik tachtig!

Maar Roby, hij is helemaal kapot!

Rob: Het laat zich raden wat er tussen ons geschiedde nadat wij elkaar tijdens een feestje in de residentie van de Nederlandse ambassadeur, bij wie zij als secretaresse in dienst was, hadden ontmoet. Het laat zich tevens raden hoe snel ik dankzij deze kersverse relatie een nieuw paspoort kreeg nadat het oude in het hockeystadion was gestolen. En het laat zich óók raden welk effect mijn steeds meer naderbij komende vertrek uit Buenos Aires gaandeweg op haar toch al vrij gemakkelijk op te hitsen gemoedstoestand kreeg.

Ai, bastardo!
Die had je
voor je
vriendin in
Nederland
gekocht!

De vlek waar ik zojuist over repte, was bijvoorbeeld veroorzaakt door de inhoud van een flesje Nina Ricci dat ik haar daags voor de terugvlucht bij wijze van troost cadeau had gedaan. Het was tegen de muur uiteen gespat nadat zij het onmiddellijk na ontvangst naar mijn hoofd had gesmeten.

“Ai, bastardo! Dat had je niet voor mij gekocht, maar voor je vriendin in Nederland!”

Ik bukte gelukkig bijtijds.

Op een ochtend, een paar dagen voorafgaande aan dit tamelijk typerende voorval (we hadden dagelijks ruzie en maakten het altijd weer goed), stonden we samen te douchen. Nou ja, min of meer dan. Ik voel er weinig voor mij aangaande de handelingen die wij op dat moment verrichtten aan de expliciete beschrijvingen te wagen waarmee u de lezer doorgaans ongegeneerd confronteert. Laat ik het daarom zo zeggen: op die twee vierkante meter geschiedde alles wat maar in u opkomt. Bovendien stroomde er warm water uit de douchekop.

Haar werkster was even eerder direct na haar entree weer huiswaarts gekeerd, hevig hoofdschuddend omdat het minnespel in haar roomse ogen slechts door paren diende te worden gespeeld die elkaar zowel ten stadhuize als in de kerk het jawoord hadden gegeven. Slechts de wetenschap dat ik al genoeg scheldpartijen van Eleonora te verwerken kreeg, had mij er na de onverwachte binnenkomst van de interieurassistente van weerhouden om de beide dames een seksueel experiment voor te stellen waar ik al sinds mijn adolescentie stiekem over fantaseerde. “Tot straks!” riep Eleonora vrolijk tegen haar hulp. Zij kende haar pappenheimers. Waarna zij mij, nog steeds in de douchecel, van top tot teen aan een nadere inspectie onderwierp.

“Maar Roby, hij is helemaal kapot!” riep ze toen.

Ja echt, mijnheer Van Amerongen, ze noemde mij Roby.

“Dat is niet zo gek”, grijnsde ik.

“Nee, dit is niet normaal. Kijk maar, er zitten allemaal scheurtjes in je voorhuid. Heb je daar nooit eerder last van gehad?”

“Blijkbaar kan mijn voorhuid de enorme zwelling niet aan als ik met zo’n fraaie persoonlijkheid als jouw werkster word geconfronteerd.”

“Doe niet zo flauw, Roby, luister eindelijk eens naar mij. Je moet hiermee naar de dokter, straks in Holland. Dit kan tot infecties leiden. Er moet echt iets aan worden gedaan.”

Hallo, dokter, ik heet geen Sam of Mohammed!

Ik zal u niet vermoeien met details over ons afscheid. Het was heftig, daar houd ik het bij. Ik pakte mijn leven weer op in Nederland, Eleonora het hare in Buenos Aires, en we verloren elkaar na verloop van tijd uit het oog. Al moest ik wel regelmatig aan haar terugdenken.

Waarom
eigenlijk?
In de koran
staat er
niets over

Aan haar haat ten opzichte van de Videla-junta, zich ondermeer uitend in het luidruchtig opzetten, na het nuttigen van een halve fles whisky en met de ramen midden in de nacht wijd open, van het aldaar destijds verboden ‘Don’t cry for me, Argentina’ van Julie Covington. Aan de manier waarop ze een militair die ons ‘s nachts op de Florída aanhield de huid vol schold, terwijl de jongeman bloednerveus, met zijn wijsvinger rondom de trekker, de loop van zijn stengun tegen mijn buik hield. En vooral wanneer mijn voorhuid weer eens aan flarden was gegaan. Totdat ik, jaren later, toen het echt te gek werd en ik allang was getrouwd, toch maar eens gehoor gaf aan haar advies en een afspraak met een uroloog in Alkmaar maakte, die binnen een paar minuten vaststelde welke behandelingsmethode er zijns inziens diende te worden gevolgd.

“Ik adviseer een circumcisie”, zei hij.

“Een wat?!”

“Een circumcisie. Oftewel: een besnijdenis.”

“Een besnijdenis?”

Ik was meteen van streek.

“Hallo, dokter, ik heet geen Sam of Mohammed! Ik ben ongelovig tot in het diepst van mijn ziel! Bovendien ben ik al dik in de veertig.”

“Toch is dat het beste, meneer Hoogland. Deze kwaal kan alleen maar afdoende worden bestreden met het verwijderen van uw voorhuid. Geloof me, u zult er niet lang hinder van ondervinden. Hooguit enkele weken. Daarna functioneert u weer net zoals voordien, wellicht zelfs prettiger. Vergeet niet dat er op deze wereld honderden miljoenen mannen zonder voorhuid rondlopen.”

Het zweet brak me uit.

“Jaja. Die allemaal, als onschuldige baby, met een bot aardappelschilmesje voor het leven getekend zijn”, riep ik in paniek. “Mij verbaast het niks, dat die kerels in het Midden-Oosten elkaar afslachten. Volgens mij is dat dé psychologische verklaring. Ik bedoel: het zal je maar aangedaan worden door zo’n imam of rabbijn. Besnijdenis staat voor mij als het toppunt van religieuze waanzin.”

“Meneer Hoogland…”

Ik was niet meer te houden.

“Acht dagen oude jongetjes onverdoofd van hun voorhuid ontdoen, dokter! Zodat ze kunnen worden opgenomen in het verbond dat God met Abraham sloot: dat kunnen alleen perverse idioten verzinnen. En waarom doen moslims het eigenlijk? Dat is nog altijd een raadsel, want in de Koran staat er niets over en in hun leefregels evenmin. Toch worden ze, in het kader van een of ander reinigingsritueel waarmee hun lidmaatschap van de religieuze gemeenschap zogenaamd wordt bekrachtigd, reeds eeuwenlang overal ter wereld besneden. En worden, nog erger, her en der op deze planeet zelfs ontelbare islamitische meisjes tot slachtoffers van genitale verminking gemaakt. Want dat is het, dokter, en niets anders: genitale verminking. U merkt het: ik heb me erin verdiept. Omdat het me zo schokt. Totale achterlijkheid, deze barbarij. Volslagen verwerpelijk voor ieder redelijk denkend modern mens. Het zou strafrechtelijk moeten worden vervolgd. En nu moet ik, uitgerekend ik, er eveneens aan geloven. Hoe is het in vredesnaam mogelijk.”

Zoals het de ware geneesheer betaamt, had de uroloog mij na zijn aanvankelijke poging om mij te onderbreken rustig laten uitrazen. Toen zei hij: “U slaat echt een beetje op hol, meneer. Het is gewoon beter voor uw gezondheid. En we doen het vaker, hier in het ziekenhuis. Veel vaker zelfs dan u vermoedt, want u bent echt niet de enige met deze kwaal. Wij zijn goed geoutilleerd en weten precies waarmee we bezig zijn. Ik begrijp best dat dit een ongemakkelijke gedachte voor u is. Ik ben ook een man, ziet u. Maar we zullen het u zoveel mogelijk naar de zin maken. Zo mag u kiezen tussen een lokale of algehele verdoving. En trouwens, wat uw leeftijd betreft: aartsvader Abraham, met wie het allemaal begon, liet zich ook pas op hoge leeftijd besnijden, wist u dat?”

Misschien krijg ik een echte kerel terug

Nu vraagt u zich wellicht af, mijnheer Van Amerongen, wat dit alles met Telegraaf-haat van doen heeft. Ik hoor het u bijna denken: tot nu toe lees ik slechts het deerniswekkende verhaal van een oude schrijver die reeds een eeuwigheid voorgoed aan de ketting ligt, maar toch vol bravoure zit op te scheppen over een avontuurtje in den vreemde waarvan er goedbeschouwd dertien in een dozijn gaan, diep in de vorige eeuw nota bene. Komt hier niet iets te veel pathetiek om de hoek kijken? Past dit wel in het boek? Mogen wij onze lezers met deze bejaardentreurnis opzadelen?

Daar lag ik
dus, trillend
van de
zenuwen
in de OK

Desondanks raad ik u aan door te lezen, want zo direct zal onvermijdelijk zuster Machteld ten tonele verschijnen, de vrouw die op onnavolgbare wijze van deze Telegraaf-haat blijk gaf. OK-assistente Machteld, om haar functie exacter te omschrijven. Kilootje of negentig, middelbare leeftijd, licht besnord, dik bebrild. Een fanatieke Volkskrant-lezeres. Dat zal u zonder enige twijfel wel bevallen, maar mij niet destijds.

Ik koos voor een lokale verdoving. Dat ik daar achteraf spijt van had, zal weldra duidelijk worden. Ik liet me overtuigen door de uroloog, die glimlachend zei dat de operatie in dat geval ‘een fluitje van een cent’ zou betekenen, een woordspeling die deze geneeskundige losbroek ongetwijfeld vaker tegenover zijn patiënten maakte wanneer hij het mannelijk geslachtsdeel onder handen moest nemen, maar waarvan de extra betekenis pas later tot mij doordrong.

“U krijgt een ruggenprik”, zei hij. “Het grote voordeel is dat u dan enkele uren na de ingreep, als de verdoving is uitgewerkt, alweer naar huis kunt.”

En zo geschiedde, enkele weken later.

“Morituri te salutant”, sprak ik die ochtend tegen mijn vrouw, nadat zij mij bij de afdeling dagbehandeling van het hospitaal had afgeleverd.

“Stel je niet zo aan”, zei zij. “Misschien krijg ik vanmiddag eindelijk een echte kerel terug. Tot straks.”

En daar lag ik dus, anderhalf uur later, trillend van de zenuwen languit op mijn rug op een operatietafel van het Medisch Centrum Alkmaar, poedelnaakt onder een groen laken met een gat ter hoogte van het arme, hulpeloze plassertje dat deze dag in mijn beleving nog veel meer centraal zou staan dan normaal. Nou ja, staan… zeg maar hangen. De anesthesist had zijn voorbereidende werkzaamheden reeds verricht, mijn onderlijf was dankzij zijn ruggenprik dood. Maar mijn ogen waren jammer genoeg nog springlevend.

Ik stel het hier onverbloemd: de verpleegster die zich reeds bij de tafel had opgesteld was de lelijkste vrouw die ik ooit ontmoette. Tik op Google Images ‘ugly woman’ in en laat vervolgens tot u doordringen dat de vrouwen die u daar krijgt voorgeschoteld vergeleken met haar Missen World zijn. Ze was zelfs nog lelijker dan de afzichtelijke echtgenote van een chique Britse golfer die ik ooit op Gleneagles ontmoette, een gedistingeerde heer van adel, zelf niet onknap. In de kleine uurtjes na onze kennismaking, tijdens het openschroeven van fles Glentalloch numero 2 in de hotellounge, toen zijn eega de sponde allang had opgezocht, beantwoordde hij mijn vraag waarom hij in vredesnaam met haar was getrouwd met: “Ze deed mij zo aan mijn oude caddy herinneren.”

Men zou toch mogen verwachten dat de verpleegster onder deze omstandigheden zou pogen mij op mijn gemak te stellen. Ik was een man, immers. Ik stond op het punt het nut van mijn bestaan op het spel te zetten. Het fungeren als troostmeisje lijkt mij dan een van de hoofdtaken van een verpleegkundige in die hoedanigheid. Maar nee, mevrouw zei helemaal niets en staarde mij slechts verbeten aan. Mijn pielemuis, die daar open en bloot en naar mijn inschatting – ik kon ‘m immers niet zien – in hopeloze nederigheid lag te wachten op de dingen die komen gingen, liet zij daarbij aan zijn lot over. Mijn gezicht, daarentegen, nam zij met meer dan gezonde belangstelling in zich op. Zij deed dat met een blik van: ik ken die vent ergens van en ik moet ‘m niet.

“Goedemorgen”, zei de uroloog, nadat hij in zijn operatie-outfit was binnengetreden. Hij schudde me de hand en zei: “Nerveus?”

“Beetje wel, dokter”, antwoordde ik naar waarheid.

“Dat is normaal, hoor”, zei hij.

“En wie is dat?” vroeg ik, wijzend op de nog altijd zwijgende verpleegkundige.

U bent die meneer van die stukjes

“Mijn excuses”, zei de uroloog. “Ik had zuster Machteld meteen aan u moeten voorstellen. Zij is mijn OK-assistente en zal mij tijdens de ingreep assisteren door de juiste materialen aan te reiken. Ik heb goed nieuws voor u: zuster Machteld kan in dit soort gevallen bogen op een ruime ervaring. Ik stel voor het klusje zo snel mogelijk te klaren.”

Het zou ook
best een
bot en
roestig
Stanleymes
kunnen zijn

“Goed idee”, zei zuster Machteld.

Verdraaid, ze sprak. En ze vervolgde met: “Wat doet u voor de kost, meneer Hoogland?”

“Ik bent journalist”, zei ik. “Dat wil zeggen: tegenwoordig schrijf ik columns.”

“Aha. Voor een specifieke krant?”

“Jazeker.”

“Welke, als ik vragen mag?”

“De Telegraaf.”

Dat het nooit wat zou worden tussen ons, stond al eerder vast. De kans dat zich op deze OK een nieuwe Roby/Eleonora-affaire zou ontwikkelen, was vanaf het allereerste moment kleiner dan die op een botsing tussen Saturnus en Jupiter in het universum. Er was sprake van afkeer op het eerste gezicht en het was wederzijds. Maar nu, na mijn mededeling dat ik voor de Telegraaf werkte, bespeurde ik ineens ook haat op het gelaat van zuster Machteld. Virulente, onbedwingbare haat, vergelijkbaar met die van een Feyenoord-hooligan wanneer hij ineens oog in oog met een Ajax-fan staat. Er viel een ijzige stilte in de operatiekamer, die zeker vijf seconden aanhield.

“Als ik het niet dacht”, zei zuster Machteld toen. “Ik vermoedde het al, maar wilde het toch eerst zeker weten. U bent die meneer van die stukjes.”

“Eeehh… ja.”

“Die altijd op de PvdA zit te schelden.”

“Klopt.”

“Die zoveel kritiek op het feminisme heeft.”

“Ook dat.”

“Die links de schuld van alles geeft.”

“Niet van alles, wel van veel.”

“Die meneer die…”

“Zullen we nu dan maar beginnen, zuster Machteld?” onderbrak de uroloog haar, terwijl hij zijn hand in de kennelijke verwachting dat zij daar een of ander chirurgenmes in zou deponeren routineus naar haar uitstak.

“U merkt het, meneer Hoogland”, zei hij glimlachend tegen mij. “Zuster Machteld steekt haar mening niet onder stoelen of banken. Het is een van de dingen die ik zeer in haar waardeer.”

Doodsbang werd ik ineens, na deze woordenwisseling. Wat had dit te betekenen? Waarom wenste deze arts uitgerekend hier, op deze plek, in deze operatiekamer, te benadrukken dat hij dat in haar waardeerde? En waarom was het slechts een van de dingen? Die opmerking hield toch in dat er méér dingen waren die hij van haar op prijs stelde? Hadden die twee soms iets met elkaar? En los daarvan: welke gezonde Nederlandse vent werd er nu uroloog? Er moest er toch al een steekje aan een mens los zitten als het zijn hartenwens was om de godganse dag aan andermans jodeledokus te gaan zitten pielen?

Als ik op dat moment in staat was geweest om op te staan, had ik pardoes van die mogelijkheid gebruik gemaakt en was ik ondanks mijn schokkende naaktheid de gang opgestoven om het Medisch Centrum Alkmaar voor altijd en voor eeuwig te verlaten. Maar dat kon niet. Het was onmogelijk. De ruggenprik had mij van onderen volledig verlamd. Als ik met mijn hand langs mijn dijbeen ging, leek het alsof ik andermans lichaam aanraakte. Mijn onderbuik, mijn heupen, mijn benen, alles leek honderden kilo’s zwaar, vanaf mijn navel tot en met mijn tenen was ik totaal gevoelloos en kon ik geen spier aanspannen.

Ik was kansloos.

“Alstublieft, dokter”, zei zuster Machteld met nauwelijks verholen minachting jegens de patiënt.

Zij overhandigde de uroloog inderdaad een stuk gereedschap. Wat het was kon ik echter niet zien. Het leek zelfs wel of zij het voor mij verborgen wilde houden. Een scalpel, dan toch? Dat kon ik slechts hopen. Het zou ook best een bot en roestig Stanleymes kunnen zijn, of een chirurgisch mes dat nog niet was gedesinfecteerd na de voorafgaande operatie bij een reeds opgegeven patiënt met een sterk verwaarloosde gonorroe, waardoor ik binnen een paar dagen met een onbehandelbare wegrottende penis te kampen zou krijgen, alsmede met dramatisch aangetaste vitale organen als hart en hersenen, met uiteindelijk een onbarmhartige dood als resultaat.

“Ongelooflijk dat iemand voor zo’n krant wil werken”, zei zuster Machteld, nadat ze hem op zijn verzoek een ander mes had aangereikt. “Ik lees de Volkskrant, dát is tenminste een krant. Nietwaar, dokter?”

“Ik ben inderdaad ook op de Volkskrant geabonneerd”, zei de arts, terwijl hij zijn werk bleef doen. “Dat vind ik, net als zuster Machteld, een heel goede krant. Dat is toch niet erg, meneer Hoogland?”

“Jullie blazen alles altijd zo op bij de Telegraaf”, vervolgde zuster Machteld, voordat ik de kans kreeg om een antwoord te geven. “Die chocoladeletterkoppen: verschrikkelijk. ‘t Is een en al sensatie, wat jullie brengen. Al het nieuws moet je met een korreltje zout nemen en aan gezondheidszorg doen jullie al helemáál niks. Ja, zeuren dat het allemaal veel goedkoper kan, dat soort dingen. En u doet daar hard aan mee, meneer Hoogland. Heeft u zelf echt nooit het idee dat u over de schreef gaat? Ik lees uw stukjes hier soms in de kantine en u mag het best weten: er zijn dan momenten dat ik u wel iets zou willen aandoen.”

Ik was overgeleverd aan Annie Wilkes

Ziet u het voor zich, collega? Ik was overgeleverd aan een soort Annie Wilkes, de waanzinnige verpleegster die zo perfect door Kathy Bates werd neergezet in de film ‘Misery’, waarin ze die arme schrijver Paul Sheldon (James Caan) te grazen neemt. Dat zuster Machteld lid van de PvdA was stond voor mij reeds als een paal boven water. Ze bekleedde zelfs een kaderfunctie, dat kon niet anders. Dat ze een Dolle Mina of op z’n minst een Rooie Vrouw was: ook zonneklaar. En misschien had ze inderdaad al jaren een verhouding met deze uroloog, in wie ik plotseling enkele trekjes van Anthony Perkins als Norman Bates in ‘Psycho’ meende te herkennen.

Maar een
leven als
eunuch? Als
ontmande
man?
Als niks?

Wellicht had ze hem zelfs volledig in haar macht. We weten allebei hoe dat soort spuuglelijke, gefrustreerde, linkse remedies tegen de liefde pleegt te functioneren: als ze de macht kunnen grijpen, dan zullen ze het niet laten. En nooit meer loslaten, wat ik u brom. Echt nooit meer loslaten. En intussen waren Annie en Norman in deze geheel afgesloten en naar ik vreesde ook volledig geluidsdichte operatiekamer, zonder dat er naast het slachtoffer iemand anders getuige van kon zijn, opvallend eensgezind met allerlei messen en naalden met mijn arme, zielige pikkie bezig, of wat daar nog van over was, en hadden zij zich op hondsbrutale wijze het beslissingsrecht verworven over wat er uiteindelijk met dat ding zou gebeuren.

Of bestond God toch en moest ik ten langen leste boeten voor het zondige leven dat ik veel te lang had geleid?

“Oei, sorry, meneer Hoogland, mijn hand schoot even uit. Het leek wel alsof ik van bovenaf werd gestuurd.”

Dag eikel!

Ook met dat scenario hield ik inmiddels rekening. Ik vervloekte Eleonora, zoveel jaar na dato, met haar domme ‘Roby’ en gezondheidsmanie. Waarom had ik in vredesnaam alsnog haar raad opgevolgd? Ik vervloekte mijn tomeloze promiscuïteit van die tijd. Ik vervloekte dit toch al zo vaak bekritiseerde regionale ziekenhuis. Ik vervloekte alles en iedereen.

Talloze toekomstfantasieën had ik in de loop der jaren over mijn leven als minnaar ontwikkeld. En steeds zag ik het toch weer zitten, vooral nadat ik eindelijk de vrouw van mijn dromen had ontmoet met wie ik nu alweer geruime tijd was getrouwd. Zelfs toen de uroloog mij in zijn spreekkamer dringend deze circumcisie had aanbevolen, kenmerkte mijn gemoedstoestand dienaangaande zich na een paar dagen alweer door optimisme. Doe het, Hoogland, prentte ik mezelf in. Het is voor je eigen bestwil, ook hier kom je overheen, je bent immers ook wel eens in Tel Aviv en Marrakech geweest en daar liepen de vrouwtjes, temidden van al die besneden macho’s, opvallend gelukkig rond.

Maar een leven als eunuch?

Als ontmande man?

Als niks?

Daar had ik geen seconde rekening mee gehouden.

Een vinger zou ik nog wel kunnen missen. Twee ook en als het moest een hele hand. Een nier? Evenmin een probleem. Daar hebben we er immers twee van, net als van onze ogen, oren en longen: verdraaid handig van de Schepper. Als het hart niet meer naar behoren functioneerde, kon er tegenwoordig een ander worden getransplanteerd. En hetzelfde gold voor je lever.

Maar mijn piemel?

Dat opstandige ding waar ik zo lang geobsedeerd achteraan was gelopen?

Geen vervanging mogelijk.

Ik werd plots heel draaierig.

“Als wij er nu eens met z’n tweetjes voor gingen zorgen dat deze Telegraafrat zich nooit meer kan voortplanten?” hoorde ik zuster Machteld al tegen de uroloog zeggen.

En ik hoorde zijn antwoord ook al: “Ik ben vóór, zuster Machteld. Het is zijn woord tegen het onze. Ze zullen nooit kunnen bewijzen dat het géén ongelukje was, dus er wacht ons hooguit een berisping.”

Dat kon ik toch niet accepteren?

Dit moest toch onverwijld een halt worden toegeroepen?

Ik kon me toch niet vrijwillig laten verminken door twee totaal ontspoorde Volkskrant-lezers?

En toen riep ik het, in totale paniek: “Stoppen! Nu!”

“Hoe bedoelt u?” zei de uroloog, zich oprichtend, terwijl zuster Machteld me nog geringschattender dan voordien aankeek.

“Ik zie er vanaf. Zo erg is het ook weer niet, af en toe een beschadigde voorhuid. Er valt best mee te leven.”

“Weet u zeker dat er slechts lokale verdoving is toegepast, dokter?” vroeg zuster Machteld. “Meneer lijkt mij nogal in de war.”

“Niet zo plagen, zuster Machteld”, grijnsde de arts. “Dat verdient meneer Hoogland nu ook weer niet. Hij is gewoon een beetje in paniek geraakt, maar ik kan kan hem geruststellen: ik ben al klaar.”

“Nee!” riep ik. “Zeg me dat het niet zo is!”

“Ja, u hoorde het goed: ik ben al klaar. Ik had het u al voorspeld tijdens ons voorgesprek: het was een fluitje van een cent. Het ziet er goed uit. Puik stukje vakwerk, al zeg ik het zelf. Wat jij, zuster Machteld?”

“Zo is het, dokter. Het ging van een leien dakje. Misschien dat meneer Hoogland, omdat dit allemaal zo goed is gegaan, toch eens in overweging moet nemen, uit dankbaarheid of zo, om bij een echte krant te gaan werken.”

Telegraaf-haat, mijnheer Van Amerongen?

Je hebt in alle soorten en maten.

Al is er altijd ook liefde.

Ik weet nog dat mijn vrouw in de namiddag, toen het gevoel in mijn onderlijf eindelijk was teruggekeerd en de uroloog na een laatste check-up nogmaals zijn tevredenheid over de ingreep had uitgesproken, mij weer kwam ophalen. Ik weet nog dat zij zeker tien minuten, zonder dat ik kon horen wat er werd besproken, met het dienstdoende afdelingshoofd overlegde en mij daarna opvallend liefdevol bejegende. Ik weet ook nog dat zij ‘s avonds, voordat wij naar bed gingen, zei dat ik vooral niet moest vergeten om de pillen die ik op het laatste moment van het ziekenhuis had meegekregen in te nemen.

“Daar word je lekker rustig van”, zei zij.

Ja, zelfs bleek zij bereid om zo ver mogelijk van mij af te gaan liggen om een op dat moment buitengewoon ongewenste, want pijnlijke fysieke reactie van mij op haar aanwezigheid te voorkomen.

“Welterusten, lieverd”, zei zij. “Morgen voel je je vast al beter.”

Waarna zij het, vlak voordat zij het licht uitdeed, toch niet kon laten om te zeggen dat zij het zou vertikken om voortaan als mevrouw El Hooglandi door het leven te gaan.

Het kreng.

Dit verhaal werd eerder gepubliceerd in het

Vrijpost 7 mei 2020

10 reacties

  1. yvonne 8 mei 2020

    Ik heb er weer van genoten, super. Nu op naar het grote foute jongensboek deel 2, wat op me ligt te wachten.

  2. Hans van Rossum 8 mei 2020

    Blijft leuk om te herlezen. Mooi verhaal.

  3. Linda 8 mei 2020

    Heb met je meegeleefd hoor. Je weet van serieuze zaken weer iets vrolijks te maken. Lees je altijd met een smile.

  4. Ton Korteweg 8 mei 2020

    Schuddebuikend van het lachen.
    Wat een heerlijk begin van de dag !
    Wat is humor toch fijn.
    Zeker in deze onzekere Corona tijd.
    Bedankt voor het prachtige verhaal.

    Blijf voorzicht en blijf gezond.

  5. Marja ter Voort 8 mei 2020

    Heerlijk verhaal

  6. Fred Loogman 8 mei 2020

    Erg leuk; hier hebben we dus met de Nederlandse PG Wodehouse van doen!

  7. Maarten 8 mei 2020

    Herkenbaar verhaal, zelf ook zoiets meegemaakt haha
    Is het allemaal nog goedgekomen?

  8. René Alsemgeest 10 mei 2020

    Alweer een mooi verhaal. Ik heb er nu nog kippe(n)vel van.

  9. Irene 14 mei 2020

    Weer enorm genoten! Heerlijk!

Reacties zijn gesloten.

rob@hoogland.nl